Archief portal



Aantekeningen


Treffers 1 t/m 31 van 31

     

   Aantekeningen   Verbonden met 
1 Al in de Middeleeuwen moet er in de Straat te Eersel of zoals men zei “Aan de Plaetse” een Mariakapel gestaan hebben. Waarschijnlijk is de hertog van Brabant de opdrachtgever van het gebouw dat in 1464 kapel wordt. Het dateert uit de 13de eeuw of (waarschijnlijker) uit het begin van de 14de eeuw. Zeker vanaf 1254 maakt de hertog Eersel tot regionaal centrum binnen de Meierij en daarbij laat hij altijd een brede straat en een kerk of kapel buiten de oude kern aanleggen. De hertog bezit in Eersel ook een hofstede met grond, die hij in 1314 met markttol in leen geeft aan Marcelis van Oerle. Diens afstammeling, de edelman Hendrik Haengreffs (overleden in 1461) heeft de grond die bij de hertoghofstede “ Het HOF” behoort, ook in leen. Hij wil het als kapel bedoelde bouwwerk officieel tot kapel verheffen en stelt daarvoor in zijn testament de jaarlijkse opbrengst van 4 mud rogge beschikbaar. Een bisschop geeft alleen toestemming als er een priester met een vast inkomen is. Daarom stelt de edelman Hendrik van Eyck van het “Hooghuis” uit Duizel ook een jaarlijkse rente van 12 mud rogge beschikbaar waarvan een rector wekelijks drie missen kan doen en vraagt toestemming aan de bisschop van Luik waartoe Eersel behoort.
Op 2 augustus 1464 verklaart Ludovicus van Bourbon, gekozen bisschop van Luik, de kapel toegewijd aan de H. Maagd en Moeder Gods Maria, de H. Catharina, de H. Antonius Abt en de H. Nicolaas. Er wordt bedongen dat de kapel niet ten nadele van de parochiekerk mag strekken. De rector (een wereldgeestelijke) moet in Eersel of Duizel resideren en in noodzakelijke gevallen de pastoor van Eersel assisteren. Er mogen alleen op zondag missen gehouden worden indien het dan een naamdag is van een van de patroonheiligen van de kapel. Na elke mis moet het slot er op zodat de ruimte niet voor handelsdoeleinden kan worden gebruikt of als onderkomen voor varkens en honden. De kapel met altaar verkrijgt een eeuwigdurend beneficie d.w.z een kerkelijk ambt met inkomsten. De eerste rector is Giselbert van Eyck, een zoon van Hendrik van Eyck. Alle offergaven in de kapel zijn voor de pastoor.
In 1464 is de kapel een zaalkerkje zonder zijbeuken, met steunberen, een kleine driezijdige uitbouw aan de oostkant met bovenin ramen, een deur in de zuidgevel en binnen een houten tongewelf op versierde, eikenhouten balken. Met wat fantasie kan men ook spreken van een omgekeerde scheepsromp. Op de oudste tekening van de kapel (Hendrik Verhees 1788) is er ook een houten spits torentje op het dak, een schoorsteen en in het oostelijk deel van de zuidgevel twee ramen voor de werkplek van de secretaris of diens klerk.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is er in 1581 de eerste plundering van Eersel door Spaanse troepen. Kort daarna komt de helft van de bevolking om door de pest, zodat er rond 1590 nog maar 500 mensen ouder dan 12 jaar wonen. In die tijd is er waarschijnlijk geen rector en dus geen wekelijkse missen. Wel laat de oud-kanunnik Arnoldus van Esch in 1604 een lofboek samenstellen (ligt in het Catharijne Convent te Utrecht). Aanvang 17de eeuw wordt door secretaris Otterdijck de opbrengst van een wei beschikbaar gesteld voor de beloning van koorzangers in de kapel. Al die jaren is de kapel een bedehuis van Maria en de drie andere patroonheiligen.
Na de verovering van ’s-Hertogenbosch door Frederik Hendrik (1629) wordt de Meierij oorlogsterrein. Eersel wordt 3-maal geplunderd. Schepenen en andere bestuurders zullen de veiligheid van de kapel opgezocht hebben. Na de vrede van Munster (1648) wordt de openbare uitoefening van de katholieke eredienst verboden.
De kapel krijgt de functie van raadhuis en er gaat een raad functioneren.
In 1662 wordt een dorpsreglement goedgekeurd met o.a. de bepaling, dat archief en de secretaris of diens klerk in de kapel dienen te functioneren. In 1765 blijkt niemand de reglementen meer te kennen en moet er op last van de Raad van State een onderzoek ingesteld worden naar de financiële toestand van de gemeente, waarbij de secretaris wordt beschuldigd van meineed, machtsmisbruik en zelfverrijking. Deze Gijsbert van Beverwijk sterft echter in den Haag voordat hij aan de galg komt. Er wordt in 1767 een nieuw reglement opgesteld. In de 18de en 19de eeuw wordt het gebouw een tijdlang ook gebruikt als gevangenis en berging van een brandspuit. Na 1795 komen er veranderingen in het bestuur zoals de instelling van de zelfstandige gemeente Duizel/Steensel (1810-1923).

De kapel is rijksmonument. In 1917 wil het gemeentebestuur het raadhuis afbreken (in de volksmond kapel genaamd) om ter plaatse een nieuw gemeentehuis te bouwen. De Rijksdienst voor Monumenten haalt dan alles uit de kast om dit te voorkomen en 1919 wordt de kapel gerestaureerd en verfraaid tot een echt raadhuisje. Er wordt binnen een verdiepingsvloer aangelegd met een trap naar kamers voor burgemeester en secretaris. Boven worden in de zijgevels enkele “kerkramen” aangebracht (waren er eerder nooit) en lager in de zijgevels worden grote ramen geplaatst met onderdelen van witte zandsteen die nu nog te zien zijn. De deuren in de zijgevels verdwijnen en in de westgevel wordt de nieuwe ingang gemaakt. In 1944 wordt er door de ondergrondse een overval op de administratie van het raadhuisje gepleegd.
In de volgende periode wordt de taak van het gemeentebestuur uitgebreider wat blijkt uit de groei van het aantal ambtenaren. Door plaatsgebrek gaat het personeel bij een huwelijkssluiting naar het café tegenover het raadhuis en vat er dan enen op de “goei” afloop. Een nieuw gemeentehuis wordt in 1956 gebouwd (Markt 28).
In 1957 wordt de kapel terug geschonken aan de geestelijke overheid in de persoon van pastoor Aelen. Er volgt een verbouwing: schotten en een groot deel van de verdiepingsvloer wordt gesloopt; de grote ramen in de zijgevels worden met een lichtere kleur steen dicht gemetseld en er wordt een altaar geplaatst. Het is een restauratie van functie niet van een volledig herstel naar de oorspronkelijke architecturale situatie.
De kapel is geheel in baksteen opgetrokken met enkele details van natuursteen. Kenmerkend voor de gotische bouwstijl zijn het steile dak (plm 55 º), de steunberen en de spitsbogen boven de ingang en ramen (van na de restauratie van 1957), de driezijdige koorafsluiting op het rechthoekige geheel, de spitse klokkentoren, de druiplijsten en de plint. Wel gebruikelijk, niet kenmerkend, zijn de boerenvlechtingen in de gevel en de muizentand- fries onder de dakvoet. Op 26 mei 1958 wordt de kapel door Mgr. Mutsaerts, bisschop van ’s-Hertogenbosch ingewijd. Met de kroning van een antiek barok Mariabeeld wordt de kapel weer toegewijd aan Maria en verkrijgt de naam “Onze Lieve Vrouw van de Kempen”.
Het ingewijde beeld sierde eens de woning van een Begijntje te Lier in België. In 1964 wordt dit beeld helaas gestolen maar gelukkig in hetzelfde jaar weer gevonden. In 1975 zullen onverlaten het beeld definitief stelen. De broer van de toenmalige pastoor Boelaars, broeder Harrie, vervaardigt een kopie van het barokke beeld uit Lier en dat wordt in 1977 geplaatst.
In 1982 blijkt de dakconstructie aan een grondige restauratie toe te zijn en door een actie onder de Eerselse bevolking aangevuld met subsidies van gemeente en Prins Bernhardfonds worden de benodigde gelden bijeen gebracht. Juist voor aanvang van de restauratie komt de kapel in de landelijke belangstelling. Het in die tijd zeer populaire tv-programma van de NCRV “Kerkepad” brengt een item over de kapel uit en we kunnen in september 1983 veel bezoekers ontvangen. In oktober daaraan volgend begint dan de restauratie en wordt tevens de koorzolder verruimd, waardoor meer zangers hun plaats kunnen vinden. Om de muren tot een meter boven maaiveld beter droog te houden wordt besloten een zogenaamde schampgoot aan te brengen tegen opspattend hemelwater. Deze concessie aan de oorspronkelijke constructie heeft een beschermende functie en dat is verantwoord. In de loop der jaren zijn een koperen kroonluchter en de wandarmaturen geschonken door Rotary Club “De Kempen” en de extra grote kroonluchter en het elektronisch kerkorgel worden geschonken door de Vrienden van de Mariakapel. In de jaren negentig blijken de dakleien aan vervanging toe te zijn. Een lei-bedekking gaat zo’n 150 jaar mee en als we dan in 1999 het dak opnieuw met leien bedekken hebben we daar voorlopig geen problemen meer. Tenslotte worden in het voorjaar van 2000 alle voegen van het gebouw vernieuwd en krijgt het gebouw de uitstraling die het ook nu nog heeft. 
Vindplaats (KAPEL)
 
2 Dochter van Alphonsus Christoffel Maria en Maria Johanna Louise van Reth
Gehuwd met Johannes Wilhelmus Maria Antonius Houben, lid van Provinciale Staten van Noord-Brabant (tevens fractievoorzitter van het CDA)

Na de R.K. Middelbare Meisjesschool volgde zij een opleiding aan de R.K. Sociale Academie te Eindhoven.

Namens de KVP (sinds 1980 het CDA) was ze onder meer gemeenteraadslid in Eindhoven van 1970 tot 1987en lid van de Eerste Kamer van 1987 tot 1991.
Zij wordt als eerste in Nederland voorzitster van een geheel vrouwelijke college van B en W. 
SIPMAN, Henrica Petronella Geertruida Maria (I23)
 
3 Enkele gebeurtenissen tijdens de ambtsperiode van:

PETRUS JACOBUS DE KORT

1895: Aanleg en eerste rit van tram te Eersel.
Oprichting Coöperatieve melkfabriek aan de Hoogstraat te Eersel.
De weduwe Aarts en zonen beginnen een sigarenmakerij.

1896: Oprichting van de NCB, afdeling Eersel.
De sigarenmakerijen van Van Dongen, van Reinier en C. A. Rijken worden gesticht.

1898: De Hr. M. Kwinten wordt hoofd van de school en enige onderwijzer.
Deze M. Kwinten was de vader van de bekende Eerselnaar Piet Kwinten.

1899: Deze burgemeester liet een boerderij en behoorlijk wat grond na aan de gemeenschap d.i. het kerkbestuur. Later zal op deze gronden een klooster worden gesticht en vanaf 2007 is daar het gemeentehuis.


JOHANNES THEODORUS VAN DEN BOOM


1902: Op 2 april is de plechtige eerste steenlegging van het klooster door pastoor Schoenmakers. Op 6 november worden de eerste zusters uit Schijndel verwelkomd door de Eerselse gemeenschap.

1904: Smederij van den Hurk wordt gevestigd aan De Dijk.

De pastorie wordt afgebroken en een nieuwe gebouwd.
Van de oude stenen wordt de Paulusbond gezet.

1906: De stoomtram rijdt ter hoogte van de Hagedoorn uit de rails.
Dit spectaculaire ongeluk wordt vastgelegd door huisschilder en fotograaf Harrie van Empel.

De eerste heide wordt ontgonnen tot proefweide.

1908: Vanuit Den Bosch wordt aan de zusters gevraagd of er zwakke kinderen geplaatst kunnen worden in het klooster. Dit is het begin van de gezondheidskolonie.

1912: De eerste stoomzuivelfabriek St. Benedictus wordt voltooid. Het pakhuis van de boerenbond wordt opgericht.

1917: Definitief besluit om de toren van de Willibrorduskerk terug te geven aan de parochie. De sleutel van de toren blijft ter beschikking van het gemeentebestuur.

1918: Sigarenfabrikant Aarts begint met de bouw van het kenmerkende pand aan de Nieuwstraat , de “Lindenhof” genaamd.
De raadhuis-kapel wordt gerenoveerd en in gebruik genomen.

1919: Piet Cuypers en zijn vrouw Marie Rombouts trouwen op 26 februari en openen op 27 februari een winkel in huishoudelijke artikelen en meubels. Dit is het begin van Cuypers Meubelen, die tot 2000 heeft bestaan.

Mej. Mirandolle betrekt een landhuis op de Hees. Zij is de rijke bezitster van koffieplantages in Nederlands-Indië , uit Amsterdam afkomstig.

1920: Op Dijk 14 is een jongens- en meisjesschool en deze zal na 1927 blijven bestaan als huishoudschool, kleuterschool , politiebureau en gemeentedienst.

1922: In de kommen van de dorpen wordt voor het eerst elektriciteit aangelegd.



PETRUS GUILIELMUS AMANDUS GASPARUS PANKEN

1902: Burgemeester van Duizel en Steensel


1923: De gemeenten Eersel en Duizel/Steensel fuseren tot een gemeente Eersel.
Oprichting van landbouw – huishoudschool.
Winkelier C. Corsten begint op Nieuwstraat 39 een sigarenfabriek.

1924: De gemeente krijgt een renteloos voorschot van ƒ 20.000, geschonken door Mej. Mirandolle voor de aanleg van elektriciteit in de gemeente Eersel.

1926: De stichting RK Bijzondere meisjes – en jongens lagere school begint in de oude openbare school met het bijzondere onderwijs.

1927: De jongensschool aan de Postakkers wordt geopend. Drie leerkrachten worden benoemd: de heren Maas (hoofd) Stravens en Kwinten.
De Hr. Panken wordt benoemd tot Ridder in de orde van Orange Nassau wegens 25 jaar burgemeesterschap.

1928: Piet Moors begint een winkel met speelgoed en snoep aan de Markt.

1929: Meester Van der Zanden wordt benoemd tot directeur van de nieuw te stichten R.K. Lagere Landbouwschool van de N.C.B. aan de Nieuwstraat in Eersel. Meester Van der Zanden werd de eerste full-time landbouwonderwijzer in de streek.

1934: 25 jaar afgevaardigde in de Provinciale Staten

1935: Johannes Aelen wordt Pastoor te Eersel. Hij zou tot 1 januari 1966 aanblijven.

1937: Mej. Gijsbers uit Reusel vestigt zich als gediplomeerde vroedvrouw.
De tram stopt met vrachtvervoer (personenvervoer was al gestopt in 1930) omdat kosten met vrachtauto’s lager liggen.

1940: Per 31 december 1940 wordt eervol ontslag verleend i.v.m. de bezetting. Na de bevrijding wordt Panken nog voor enige tijd teruggeroepen totdat hij wordt opgevolgd door burgemeester Stevens.



JOHANNES LAMBERTUS ANTONIUS STEVENS


1946: De coöperatieve zuivelfabrieken verenigen zich in zuivelvereniging “De Kempen” waaruit later Campina zal ontstaan.

1947:Er wordt gestart met de ontginning van de Roten. (100 ha)

Wegens werkloosheid en tekort aan landbouwgrond emigreren enkele gezinnen naar Canada, Nieuw Zeeland en Brazilië.

In Eersel wordt een heemkundige studiekring opgericht.


1948: In dit jubeljaar worden gevierd:

- 12 eeuwen gemeente Eersel

- 25 jaar samenvoeging Eersel – Duizel – Steensel

- 300 jaar kapel / raadhuis

- 50 jaar koningschap van vorstin Wilhelmina

Of dit alles historisch correct is valt te betwijfelen.

De kapel krijgt gebrandschilderde ramen door Daan Wildschut vervaardigd.

1950: De N.C.B. bouwt een huishoudschool aan de Gebr. Hoeksstraat.

1952: De familie Huijbregts vestigt zich aan de Markt met een boek- en kantoorboekhandel. Hieruit zou later drukkerij De Kempen ontstaan.

Johannes van Houtert wordt pastoor te Duizel, later zal hij de St. Jansvaart oprichten, een luisterrijke sacramentsprocessie.

De Boerenleenbank viert haar 50 jarig bestaan. De heer De Haas viert eveneens zijn 50 jarig dienst jubileum. Zijn broer, bisschop in Brazilië was ook aanwezig. Naar hem zal later een straat worden vernoemd.

1953: In februari is er de watersnoodramp. Ook nu zal het Jacobusgesticht de helpende hand bieden door evacués te huisvesten.

In de gemeente is men gestart met de aanleg van een waterleidingnet.

De heer Panken viert zijn 40-jarig directeurschap van de Boerenleenbank te Duizel en Steensel.

1954: Er wordt besloten tot de bouw van een brandweerkazerne. Verdere maatregelen zijn de aanschaf van een neveltankwagen, aanleg van brandputten, meldings- en alarmeringssystemen en een echte sirene.

De plannen voor een nieuw gemeentehuis beginnen vorm te krijgen. Uiteindelijk valt het besluit te gaan bouwen op de plaats van de brouwerij en dat is midden op de Markt.

1955: Pastoor Aelen viert zijn 40-jarig priesterfeest.

1956: Opening van de brandweerkazerne.

1957: In de oude sigarenfabriek van Prinsen aan de Willibrorduslaan wordt de eerste HBS gestart.

Huize St.- Joseph krijgt een nieuw gezicht in de Duizelse bossen en wordt Maranatha, een school en een tehuis voor zwakbegaafden voor de Kempen maar ook ver daarbuiten.

Duizel en Steensel hebben hun nieuwe lagere school gebouwd.

Op 6 juli 1957 wordt het nieuwe gemeentehuis aan de Markt geopend.
Ter gelegenheid hiervan wordt het Eersels volkslied ten doop gehouden, het z.g. Contente Mens lied. Componist is Harrie van Woerkum en tekstdichter Piet Kwinten.
Het beeldje van de Contente Mens is vervaardigd door Richard Bertels en wordt aangeboden aan burgemeester Stevens.


De kapel / raadhuis wordt gerestaureerd, in oude luister hersteld en weer aan Maria toegewijd als bedehuis. Door overhandiging van de sleutel aan pastoor Aelen komt de kapel weer in handen van de parochie voor het symbolisch bedrag van één gulden.

1958: De coöperatieve zuivelfabriek St. Benedictus sluit haar deuren. De melk wordt nu naar de grote zuivelfabriek in Bergeijk gebracht.

De telefoniste kan met pensioen want de “automatische” telefoon treedt in werking.

1959: De toren (1425/1450) in Steensel wordt in oude glorie hersteld.

1960: Door de verkaveling van landbouwgronden verandert het Kempische landschap; er gaat een groot aantal historische kavelvormen verloren, vele houtsingels en bomen verdwijnen. De grondwaterstand wordt door kunstmatige ontwatering beïnvloedt, waardoor er in de beekdalen gewassen zoals mais en bieten worden geteeld.
De grootste veranderingen in landschapsvorm vinden echter plaats door de afgravingen van Ter Spegelt, het E3-strand en de visvijver in Duizel, ten behoeve van de aanleg van de E3-weg.

1962: De boerenpakhuizen van Eersel, Duizel en Steensel fuseren. De Eerselse vestiging blijft bestaan tot 1974, daarna komt er nieuwbouw aan het Domineespad te Hoogeloon.

1965: De aanleg van snelweg E3 betekent een verlies van 110 ha landbouwgrond en bossen.

De Rooms Katholieke jonge boerenstand wordt omgezet in de KPJ Katholieke plattelands jongeren, wegens toename van niet-agrariërs.

1967: Ook de boerinnenbond wordt omgezet in KVO, Katholieke Vrouwen Organisatie, wegens dezelfde reden als hierboven.

De jongens- en meisjesschool ( L.O. )worden samengevoegd.
Het middelbare onderwijs krijgt gestalte door de opening van de MAVO school in Eersel.

1968:De Paulusbond wordt afgebroken.
De Boerenleenbank opent haar nieuwe gebouw aan de Markt.
De heer H. Keyzer krijgt een definitieve exploitatie vergunning voor camping Ter Spegelt.

1974: De Zusters van Liefde uit Schijndel gaan geleidelijk het klooster in Eersel en de Donksbergen in Duizel verlaten. De grond van het klooster komt terug bij de parochie en wordt doorverkocht aan de gemeente. Op deze grond start men met de bouw van een bejaardenhuis.

1975: Pastoor Aelen viert op 1 juni zijn 60-jarig priesterjubileum en op 22 november overlijdt hij.


1976: Sporthal de Kraanvogel wordt op 15 mei en bejaardenhuis De Wiekenborg op 25 september geopend.


JOHANNES ANDREAS MARIA VAN AGT

1978: Werkbezoek van prinses Beatrix en prins Claus.

1979: Op 9 april werd de stichting Museum De Acht Zaligheden opgericht. Dit museum was een voortzetting van de Oudheidkamer van Piet Kwinten.

Het voormalig kloosterterrein van 4,2 ha aan de Dijk wordt door de gemeente aangekocht.

1980: Het aangekochte patronaat van de Willibrordus-parochie is verbouwd tot een dorpshuis en krijgt de naam “Dorpshuis De Brink”.

1985: Een gedeelte van het kloosterterrein wordt in gebruik genomen voor de bouw van het bejaarden-ontmoetingscentrum de Eikenburg.

1986: De twee hoofdgebouwen, het klooster en het koloniehuis, op het voormalig kloosterterrein worden gesloopt.

1987: De kloosterkapel en een dienstgebouw worden afgebroken. Er is veel tegenstand tegen deze afbraak en er worden plannen gesmeed om van dit geheel een seniorenhotel te maken.

1988: De eerste bouwwerkzaamheden van het nieuwe gemeentehuis worden gestart.

In de Nieuwstraat wordt de nieuwbouw van de Rabobank geopend.
Dit pand komt op de plaats van de vroegere landbouwschool.


1989: Verhuizing van het gemeentehuis op de Markt naar de Dijk. Op 5 oktober vindt de officiële opening plaats.
Er komt een jumelage met de Franse stad Carquefou.



HENRICA PETRONELLA GEERTRUIDA MARIA (HENNY) HOUBEN-SIPMAN


1993: Opening van het Carquefouplein

1994: Opening van het Sociaal Cultureel Centrum de Muzenval

1997: De gemeente Vessem wordt toegevoegd aan de gemeente Eersel.
De gemeente omvat nu de kerkdorpen Duizel, Eersel, Knegsel, Steensel, Vessem en Wintelre.

In dit jaar wordt in Eersel een nieuw politiebureau en een nieuwe brandweerkazerne geopend en in Vessem een nieuwe Mariakapel.

2001: In het Wethouder Poeliejoepark wordt een vredesmonument opgericht ter ere van omgekomen militairen en verzetsmensen uit WO II en uit Nederlands Oost – Indië. Het wordt onthuld door de plaatsvervangend ambassadeur van Indonesië.


2003: Op de Markt worden de beelden van de Contente Mens en de Pronte Vrouw zodanig geplaatst dat ze elkaar kunnen “zien”.

2004: De heer Wim van der Leegte betrekt zijn kasteelachtige landhuis te Duizel.
De Agio-sigarenfabriek bestaat 100 jaar en krijgt het predicaat Koninklijk.

2006: De eerste steen voor de uitbreiding van het gemeentehuis wordt gelegd.

2007: Opening van het verbouwde gemeentehuis.


J.A.M. (ANJA) THIJS-RADEMAKERS

2013: De gemeente krijgt van de Kamer van Koophandel Brabant de titel
"Koploper 2013", een erkenning voor de beste gemeentelijke dienstverlening aan ondernemers. Deze award loopt parallel met de Koning Willem I-onderscheiding voor VDL en Vencomatic, alsmede de BOV-prijs voor JASNO.
2014: voorzitster van de W.V.K. groep.





 
Vindplaats (REPO2)
 
4 Gehuwd met Thijs (Anja Thijs-Rademakers)
Zij was raadslid en wethouder in Someren. 
RADEMAKERS, J.A.M. (I25)
 
5 Geschiedenis van de Nederlands Hervormde Kerk op de Markt in Eersel.
In 1648, na de vrede van Munster, werd de provincie Noord-Brabant door de bestuurders van de Republiek der zeven Verenigde Nederlanden hervormd verklaard, hoewel de bevolking overwegend rooms-katholiek was en dat tot op heden is gebleven. De kerken werden aan de katholieke bevolking ontnomen. Er preekten van toen af iedere zondag hervormde predikanten vanaf de kansel, ze hadden tot gehoor slechts de burgemeester, de schoolmeester en enkele andere overheidsdienaren en soms ging de dienst niet door omdat er helemaal geen gehoor aanwezig was.
Deze toestand duurde tot de Franse Revolutie en verdween tegelijk met de Republiek der zeven Verenigde Ne-derlanden. Toen verkregen de rooms-katholieken vrijheid van godsdienst.
De grote dorpskerken kwamen opnieuw in handen van de katholieken. Maar toch bleef niet alles bij het oude, want de kleine protestantse gemeenschappen die zich alom hadden gevormd bleven, maar leidden een moeilijk bestaan. De overheid sprong bij en liet kleine kerken bouwen.
Zo nam Koning Lodewijk Napoleon , de broer van de grote keizer, op 4 mei 1809 het volgende besluit :
Lodewijk Napoleon door de gratie Gods en de constitutie des koninkrijks, Koning van Holland, Connétable van Frankrijk enz. enz. ; zorgt ervoor dat Eersel een gift krijgt van f.6000. Met f. 3000 als beginkapitaal voor de bouw van een nieuwe Hervormde kerk in Eersel.

Onmiddellijk (op 25 mei 1809) wordt er een commissie van Beheer aangesteld om de gift te beheren en in het najaar (op 30 november 1809) wordt de bouw publiekelijk aanbesteed aan aannemer Pieter Klessens. Architect Braam uit Eindhoven maakt het bestek. De grond werd gekocht van Hendrik Kox, lid van het Onze Lieve Vrouwe Gilde in Eersel.
Maar door allerlei omstandigheden laat de start van de bouw nog 3 jaar op zich wachten.

In mei 1812 wordt de 1e steen gelegd door Adr. de Bie en op 5 juli 1813 wordt de kerk ingewijd met de woorden uit psalm 84 : Hoe lieflijk zijn uwe woningen o Here der heerscharen.
De bouwkosten van de kerk zijn f. 4420.
De naam Lodewijks kerkjes is zo’n beetje een ‘open deur’ maar waarom de naam Waterstaatskerkjes? Lodewijk Napoleon gaf opdracht aan Rijkswaterstaat om een blauwdruk te maken van de te bouwen kerkjes. Dat is ook duidelijk te zien aan de Protestantse kerken in de omgeving.

En zo zijn in Noord-Brabant de Lodewijk-kerkjes en de Willem I-kerkjes (geschonken door koning Willem I) ontstaan. Maar er moet wat met die bouw zijn geweest, want na vijftig jaar bleek het totaal versleten. In 1861 werd heel veel gerestaureerd en het strooien dak wordt dan vervangen door een leien dak!
In de kerk staat een mooie bruin-gebeitste gave eikenhouten kansel tegen de achtermuur. Die kansel is uit de parochiekerk meegenomen. Vandaar zo’n grote preekstoel in een kleine kerk.
Die kansel heeft een koperen lessenaar en een grote ouderwetse zandloper. Destijds moest de preek van de dominee uit zijn als die zandloper leeggelopen was.
Langs de lange wanden is aan weerszijden een enorme bank getimmerd voor de leden van het kerkbestuur. Ze zitten er veilig weggeborgen achter deurtjes. En dan staan er in het midden nog vijf banken op een houten plankier.
Op die galerij staat een huisorgeltje, dat het gemeentegezang moet begeleiden, benevens twee banken zonder leuning. Toch hebben de bouwers van 1812 hun best gedaan op hun kerk. Ze hebben de houten stutten van de galerij gevormd als Griekse pilaren en tegen de zoldering langs de daklijst consoles getimmerd met Griekse motieven. Ze hebben de ramen verdeeld in ruitjes, zodat het net glas in lood leek. Hun kerkje was en is nog steeds groot genoeg voor de gemeente; er gaan een vijftig mensen in.
Na de Franse Revolutie en na de teruggave van de kerkgebouwen aan de rooms-katholieke bevolking stond het er zeer droef voor met het protestantisme in Noord Brabant, of liever gezegd, toen pas kwam aan het licht hoe droef het er al die eeuwen voortdurend had voorgestaan. De verhouding tussen de twee bevolkingsgroepen was ronduit slecht. De protestanten voelden zich bedreigd en wie kon, trok weg. Na verloop van tijd mocht de bevolking zijn eigen overheid kiezen en natuurlijk werden de gemeentebesturen rooms-katholiek evenals de burgemeesters.
Maar toen werd in 1822 te Hilvarenbeek de „Maatschappij tot bevordering- van Welstand voornamelijk onder Landlieden, kortweg "Welstand", opgericht door Ds. Jacob van Heusden. Ze kocht boerderijen en landerijen op, verpachtte die aan protestantse boeren, verstrekte leningen en borgtochten voor de aankoop van grondstoffen en gereedschappen en zorgde dat er overal waar protestantse gemeentes bestonden, blijvende kernen werden gevormd van mensen die hun leven lang op die plek zouden blijven wonen en niet alleen zij, maar ook hun kinderen en kindskinderen. Na verloop van een aantal jaren kregen de boeren al pacht betalende hun boerderij in eigendom.
Van oudtijds hoorden de gemeenten Hoogeloon en Eersel bij elkaar. Ze hadden samen één dominee, die om de beurt in één der dorpskerken preekte en in Hoogeloon woonde in een pastorie, welke aan de kerk was aangebouwd. De ene zondag trokken de gemeenteleden van Eersel langs een ongebaand en moerassig, in de wintermaanden door takken verhard pad naar Hoogeloon, de andere zondag trok de dominee met de gemeenteleden van Hoogeloon langs datzelfde pad naar Eersel. Het heet nog steeds het domineepad.
Later werd de pastorie van Eersel gevestigd in huize „De Drietip", en staat aan de Duizelse weg in Eersel. Het werd aan de gemeente geschonken door een rijke dame uit Amsterdam, mej. Mirandolle , die in het begin van de vorige eeuw een mooi zomerhuis op de Hees liet bouwen.
De kerk is een monument en Monumentenwacht houdt inspectie. Ook voor de ‘inwoning’ van zo’n 20 vleermuizen in de klokkentoren is er ruimte. En dank zij veel vrijwilligers ziet er alles voortreffelijk uit.
Er zijn regelmatig culturele activiteiten zoals concerten. De kerk heeft een uitstekende akoestiek.

Bronnen:
Artikel in het weekblad De Spiegel d.d. 21 september 1957 geschreven door Tjits Veenstra
Lezing Ds. Roely Brouwer
 
Vindplaats (REPO3)
 
6 HET KASTEEL DAT AAN DE PROVINCIALEWEG TE DUIZEL GESTAAN HEEFT

Rond het midden van de vorige eeuw, om precies te zijn in 1854, werd door de aanleg van de Prov. weg Eindhoven - Reusel, de Kempen ontsloten. Door de aanleg van deze eerste verharde weg in de streek werd een betere verbinding met de omliggende gebieden mogelijk.
Het was ook in die tijd dat de landbouw, met de maatstaven van toen gemeten een redelijk tot goede tijd doormaakte.
Dit is toen ook wel een van de voornaamste redenen geweest dat in die tijd kapitaalkrachtige en invloedrijke personen uit het nabij gelegen België hun blikken over de Nederlands - Belgische grens richtten. Verschillende van hen, dikwijls waren het Baronnen hebben toen hun geld hier in goedkope Brabantse heidegrond geïnvesteerd.
In deze omgeving gebeurde dat hier in Duizel, in Bergeijk. Reusel en Borkel en Schaft.
Soms ontgonnen ze grote complexen heidegrond om te bebossen. Ook bouwden ze er wel boerderijen en een jachtslot o.a. in Duizel en in Bergeijk. Ook werden er alleen boerderijen gebouwd zoals in Reusel.
Welke prijzen er toen voor die heidegrond betaald werden heb ik niet kunnen achterhalen.
Om U enige indicatie te geven over de grondprijzen die er omstreeks die tijd golden volgen er hier enkele, zoals ik ze her en der aantrof.
Een vermelding uit 1797 spreekt van f. 4.20 per ha.
In 1853 kocht Jan v.d. Griendt van de gemeente Deurne 600 ha. veengrond voor f. 80.-- per ha. Deze was voor vervening bestemd. De grond die er daarna overbleef werd het latere Griendtsveen en Helenaveen.
In 1884 kochten twee Amsterdamse heren in Bakel 362 ha. heide voor f.3.538.- is f. 9.77 per ha. Deze grond was slecht gelegen en werd in eerste instantie maar ten dele ontgonnen.

Van mijn grootvader weet ik, dat hij in 1903 in Steensel op een openbare verkoping 3,50 ha. bos - heide en smeel kocht voor f. 77.-- per ha.
Landgoed "De Utrecht" groot ongeveer 2.000 ha., werd door de levensverzekeringsmaatschappij met diezelfde naam omstreeks de eeuwwisseling als heide aangekocht en deels ontgonnen deels bebost. In 1898 kochten ze van de gemeente Hooge en Lage Mierde, 700 ha. heide voor f. 24,-- per ha. Door omvangrijke aankopen in de volgende jaren werd dit gebied steeds verder uitgebreid en bereikte zijn huidige grootte. Ongetwijfeld vraagt men zich af: "Als de grondprijzen toen zo laag waren, waarom kochten de mensen hier die grond dan niet?" "Dat konden ze gewoon niet. omdat ze het geld ervoor niet hadden."
Uit 1806 wordt vermeld, dat een boerderij in Helmond met 5 ha. bezaaid- en 3 ha. wei en hooiland, een opbrengst gaf van f. 396,-- per jaar. In de Peel gaf een boerderij van 4 ha. bezaaid- en 1 ha. weiland een opbrengst van f.449,50 per jaar.
Uit deze cijfers blijkt wel, dat een boer er het geld niet voor had liggen. Ook het bankwezen bestond in die jaren nauwelijks en zat nog helemaal in particuliere handen.
Om grond te kunnen bemesten was toen nog stalmest nodig en hiervoor moest men dan weer neer vee hebben. Om dit aan te kunnen schaffen, ontbrak het geld en er gebeurde dus niets.
Bovendien kon een Baron een bankier of rentenier zich het wel veroorloven om geld in bossen te investeren. Voor hun was een generatie lang op een opbrengst wachten geen bezwaar. Een boer kon dit niet.
Na deze voorbeschouwing keren we terug naar de situatie in Duizel en kijken wat daar rond het midden van de vorige eeuw gebeurde.

In 1857 liet de Belgische bankier en vrijgezel Victor J.M. v.d. Schrieck in Duizel een groot stuk heide ontginnen. Hij was geen echte "Baron" maar was wel zeer gevleid als hij door de plaatselijke bevolking zo werd genoemd, hetgeen dan ook gebeurde.
In de loop van de volgende jaren, bouwde hij in Duizel een behoorlijk bezit op. Hij was eigenaar van 16 ha. land met enkele mooie huizen, boerderijen en bossen. Daarnaast had hij in Hapert en Bladel nog uitgestrekte bezittingen, o.a. in Bladel een boerderij van 46 ha.
In 1863 bouwde hij in Duizel, langs de in 1854 gereed gekomen Prov. weg een kasteel. Victor v.d. Schrieck moet ongetwijfeld een groot natuurliefhebber zijn geweest gezien wat hij daar indertijd bouwde en plantte. Het kasteel kwam in een 4,78 ha. groot park te staan dat ook als zodanig werd aangeplant. Bij de ingang aan de Prov. weg stonden onder twee machtige kastanjebomen, twee stenen zuilen met een leeuwtje erop.
De uitgang van het park aan de zandweg naar Eersel (Hint), was aan het einde van "De Dreef" afgesloten met een fraaie ijzeren poort die in de volksmond "De Blauwe Poort" werd genoemd.
Deze naam had ze ongetwijfeld verworven door de kleur waarin ze geverfd was.
Deze poort en de Dreef vormden de kortste weg naar het koetshuis in de Groenstraat nr. 9. welks huis door zijn eigenaardige bouw en de gevelsteen uit 1858 boven de schuurdeur nog altijd aan v.d. Schrieck herinnert.
De erlangs staande boerderij. (thans café "Den Aord"). behoorde ook tot zijn bezit en werd door de bedrijfsleider bewoont.
Voor het personeel waren er slaapplaatsen boven het koetshuis.
In de kasteeltuin waren ook enkele open terreintjes uitgespaard, er was een vijver, een paar theehuisjes en zelfs een ijskelder.
Zoals altijd werd verteld werd hier in de winter als het vroor ijs uit de vijver ingereden om dit zolang mogelijk in het voorjaar te kunnen bewaren en dan voor koeling te gebruiken. Op die manier kon er ook wild in bewaard worden.

Hoewel daar niet voor gebouwd, werd in de herfst, als de kastanjes in de kasteeltuin rijp waren deze ijskelder door de oppasser wel eens gebruikt om_er de jongens enkele enkelen uren in op te sluiten, die het op de kastanjes gemunt hadden.
Deze ijskelder die nog altijd bestaat heeft de ingang aan de noordzijde. Hij is gedeeltelijk ondergronds gebouwd en boven met een gewelf dichtgemetseld. Het geheel is bedekt met een dikke laag grond en struikgewas met hoge bomen voor de isolatie.
Aan de andere zijde van de Prov. weg liet hij de zgn. "Engelse tuin" aanleggen. Dit was ook een parkachtig bos met vele exotische houtsoorten erin, o.a. kurkeik en catalpa. Deze had een oppervlakte van 5,60 ha.. Dit was geen productiebos, de kasteeltuin ook niet.
Victor v.d. Schrieck was ook beschermheer van de fanfare uit Hoogeloon.
Op 1-10-1864 schonk hij een drapeau aan deze fanfare ter waarde van 2.000 Belgische francs.
De franc was toen nog f. 0,47 waard.

Over de verkwistende levenswijze. die er v.d. Schrieck op na hield, vertelde het Eindhovens dagblad van april 1916 nog een mooie anecdote.
Ik citeer:
In 1863 werd in Duizel 't zgn. kasteeltje gebouwd door de Belg v.d. Schrieck, een zonderling die de weg wist te vinden om in korte jaren een kapitaal vermogen in andere handen te doen overgaan.
De man leeft te Duizel nog in de herinnering voort en zij die over de zestig zijn, weten o.a. nog met een gevoel van voldoening te vertellen hoe v.d. Schrieck op een merkwaardige dag met zijn welbekende oppasser, Thijs Sleegers het jachtveld in toog.
"Thijs. zei hij en grinnikte even, wat ik vandaag schiet dat zal jij dragen! Begrepen." "Goed mijnheer. luidde het antwoord, maar zal jij dan ook dragen wat ik schiet?". 't Accoord werd wederzijds aangenomen. Na enkele uren verveelde v.d. Schrieck zich geweldig, een koppel patrijzen en een paar zware hazen mee door het jachtveld rondsjouwende.

Thijs grinnikte eens even op zijn beurt. Reeds waren de beide jagers op weg naar huis toen v:d. Schrieck in Steensel plotseling het geweer aan de schouder bracht. Een dubbel schot weerklonk en een kalf dat speelde in de weide tuimelde hals over kop neder in het malse gras de poten machteloos uitstrekkend.
"Pak op Thijs". lachte onze zonderling en zocht naar zijn beurs om de gedupeerde boer de dubbele waarde te betalen.
Van de Schrieck verdween op een armzalige wijze zijn eind bereikend in een hospitaal in Leuven maar het kasteeltje bleef en zo is aan die man toch wel iets goeds te danken dat in de geschiedrollen van Duizel zal blijven opgetekend. Tot zover.

Over de verkwistende manier van leven van v.d. Schrieck deed ook het verhaal de ronde dat hij in een nacht heel zijn vermogen verdobbeld zou hebben. Hoe dan ook, v.d. Schrieck ging failliet en al in 1866 kwam het drie jaar eerder gebouwde kasteel "onder de hamer". Het "ging niet af".
Thuis hadden wij een perceel grond, dat tot de uitvoering van de ruilverkaveling in 1975 de naam: "Het veld van Schriecke droeg. Ongetwijfeld uit die failliete boedel afkomstig.
Toch is het wel triest om zo aan zijn einde te moeten komen!
Tussen 1866 en 1873 schijnt het kasteel aan diverse mensen verhuurd te zijn geweest.

In 1873 werd het kasteel met boerderijen landerijen en bossen gekocht door nu een "echte Baron" Paul Emile Maria Baron de Cartier de Marchiennes, uit de Belgische provincie Henegouwen. Wat zijn vermogen aanging kon hij onder de milionaires gerangschikt worden.
Naar plaatselijke begrippen had hij een omvangrijke veestapel: 14 stuks hoornvee, 5 paarden en 10 varkens. Ook hij had die veestapel nodig voor de mestproductie. Met 23 ha. land was hij in Duizel de grootste grondbezitter. Het kasteel diende als jachtslot.
In de gemeente Duizel ca. besloeg zijn jachtterein 500 ha. Hij pachtte elk jaar het jachtrecht op de gemeentegronden. In Eersel, Hooqeloon, Vessem, Netersel en Veldhoven kwam daar ieder jaar nog 1.500 ha. bij.
In de dorpsgemeenschap was hij een notabele figuur al bleef hij daar wel wat buiten staan, omdat hij door zijn diplomatieke functie, meestal elders vertoefde, van Washington tot Peking toe. Ook zijn Franstalige hofhouding droeg daar wel aan bij.
Wel was hij het die zijn bewondering uitsprak over het feit, dat als men een bejaarde landman treft die zijn akker bewerkt, het wel kan gebeuren dat deze in vloeiend Frans antwoordt, als hem in die taal iets werd gevraagd. Hiermee doelde hij op de beroemde kostschool van wijlen Meester Panken, waarin destijds aan het Frans veel aandacht werd besteed.
Blijkbaar was hij ook een weldoener van de kerk, want als in mijn jeugdjaren, in de kerk het "zielboek" werd afgelezen, waarin de overledenen werden herdacht, stond bij de rubriek "fundatie's" (schenkingen): Baron Paul Emile Maria de Cartier de Marchiennes en Baronesse Louise 'D Omniara zijne echtgenote.
Voor het toezicht op de jachtgronden had de baron een en soms wel meerdere jachtopzieners in dienst. Dikwijls moesten die het tegen de jachtinstincten van de talrijke stropers opnemen, dat wel eens ooit hun eigen broers waren. Eens werden zelfs zijn jachthonden vergiftigd.
Na het overlijden van Baron Paul Emile Maria de Cartier de Marchiennes in 1882, werd zijn zoon Emile Ernest de eigenaar van het kasteel en de bijbehorende boerderijen, landerijen en bossen.
Deze was Belgisch Ambassadeur in Londen. Als de diplomatieke dienst het toeliet, volgde hij in deze contreien zijn grote hobby, de jacht. In het seizoen was het kasteel dan de uitvalplaats van de grote jachtstoeten van de baron, zijn familie en vrienden, waaraan zich dan de Duizelsen vergaapten. Het resultaat van zo'n jachtpartij zag ik eens, op een foto. Een hoogkar vol hazen.
Tegenwoordig zegt men wel eens: "Een hobby mag wat kosten!" Maar van de baron werd in die tijd verteld dat iedere geschoten haas hem f 400,-- kostte.

In 1912 heeft de baron een stukje grond van 22 are verkocht aan de Boerenbond van Duizel, om de stichting van het pakhuis mogelijk te maken. Op bedoeld stukje grond staat nu de Fiatgarage.
Toen omstreeks 1916 in onze regionen de telefoon werd aangelegd was het kasteel alleen aangesloten, als de baron op het kasteel was. Vele jaren tot zijn overlijden op 6-8-1934. was Fried Geboers de oppasser van de Baron en woonde langs het kasteel in de oppassers woning. Later werd dat Harry de Vos.
In 1932 schonk de Baron de Ver. tot behoud van Natuurmonumenten een 168 ha. groot complex heide, gelegen tussen Eersel en Hapert, hetwelk toen de Cartierheide werd genoemd. Hij bereikte hiermee wel dat zijn naam in de geschiedenis bleef gehandhaafd.

Of voor de Baron de jaren begonnen te tellen. of dat hij door zijn werk als Ambassadeur in Londen de oorlog al in een vroeg stadium aan zag komen laat ik hier in het midden. Maar in de zomer van 1937 heeft hij hier al zijn onroerende goederen verkocht. In de Eindhovensche en Meierijsche Courant van 26-6-1937 stond deze advertentie:

KASTEEL VAN DUIZEL.
*******************
Met omliggende boerderijen, bosschen, ontginningsgronden, enz.
De Notarissen:
DE WIT TE VALKENSWAARD EN KOTEN TE EERSEL, zullen ten verzoeken van Z. Exc. E.E. Baron de Cartier de Marchiennes, Belgisch gezant in Londen.
A. Publiek verkopen:
Het aan den grooten verkeersweg Eindhoven - Antwerpen. op 15 km. van Eindhoven gelegen, KASTEEL VAN DUIZEL
met prachtig park en daarbij gelegen diverse boerderijen, bouw- en weilanden, eiken en dennenbossen, plantsoen, ontginningsgronden enz. alles gelegen onder Duizel en Eersel. ter grootte van ruim 80 ha.
B. Het kasteel met aanhorigheden is zeer geschikt voor pension. klooster. vakantieoord, enz.
Boerderij met omliggende bouw- en weilanden, welig wassende jonge dennenbossen, prachtig mijnhout, ontginningsgronden enz. te Hapert op de Pan, totaal groot ruim 45 ha.

De verkopingen zullen plaats hebben: onder Duizel en Eersel op maandagen 28 juni en 5 juli 1937, resp. te Duizel bij C.Castelijns in de Tramhalte en in Eersel in de Harmoniezaal op de Markt, telkens namiddag 3 uur precies. Onder Hapert op donderdagen 1 en 8 juli 1937 telkens nam. 3 uur precies te Hapert in de Harmoniezaal bij de Heer Claassen.

Voor aanvaarding, verkaveling, enz. zie de biljetten.
Biljetten en situatietekening alsmede bewijs van toegang tot het kasteel worden op aanvraag verstrekt door voornoemde notarissen.

Bij de gehouden verkoping op 5 juli 1937 werd het kasteel met park, Engelse tuin en oppasserwoning gekocht door de heer Wolters, directeur van de Hofnar sigarenfabrieken uit Valkenswaard.
De dichtst bij het kasteel gelegen boerderij kocht Alb. v. Herk, nu boerderij "De Kempen".
De grond van deze boerderij lag aan weerskanten van de kasteeltuin.
De daarlangs staande boerderij kocht P. Hoogers uit Steensel.
Corn. Bierings van de Meer kocht een complex grond waar later de boerderij van zijn dochter Hanneke en zijn schoonzoon Ant. v. Loon. (nu P. Daemen) gebouwd zou worden.
De overige 40 ha. bouw- en weiland, bossen en heide werden door diverse mensen uit Duizel en Eersel gekocht voor bedrijfsvergroting. In totaal verkocht de Baron in Duizel en Eersel ruim 80 ha
Op de Pan in Hapert, een boerderij, ontginningsgronden. bossen, enz. groot 45 ha. terwijl hij enkele jaren eerder in 1932 de Cartierheide groot 168 ha. aan Natuurmonumenten had geschonken. Samen dus 293 ha. Wanneer vroeger de Baron op het kasteel was stonden er 's Zondags in de kerk voor de banken vier stoelen met rode pluche bekleed, speciaal voor hem. Later toen de Baron hier alles verkocht had hebben deze "stoelen van den Baron" nog vele jaren dienst gedaan bij een huwelijks inzegening voor het bruidspaar. Zo viel in Duizel in 1937 het gordijn over het tijdperk: “De Baron".

Wat gebeurde er daarna met het kasteel?
De fam. Wolters die nu eigenaar van het kasteel werd, gebruikte het ook niet voor permanente bewoning. Alleen tijdens de vakanties was het bewoond. De oppasser v.d. Baron, Harry de Vos is tot eind 1944 in dienst gebleven voor bewaking en onderhoud.
Een paar jaar na 1937 heeft de heer Wolters, de boerderij van Alb. v. Herk er alsnog bijgekocht, omdat ze aan weerszijden van de kasteeltuin lag. Volgens de gevelsteen is op 18- 4-1942 de bouwvallige oude boerderij vervangen door de voor die tijd zeer moderne boerderij: "De Kempen". Alb. v. Herk bleef de huurder. Behoudens een korte onderbreking is deze boerderij steeds door dezelfde families bewoond geweest.
In de oorlogsjaren was het kasteel dikwijls bewoond door aldaar gelegerde Duitse militairen.

Met een zware storm in nov. 1941. (waarbij in Eerselsel de windmolen en een stroloods afbrandden) sneuvelden er langs de Prov. weg bij de kasteeltuin veel van de 80 jaar oude sparren. De totaal versperde weg werd door de Duitse militairen met hun paarden weer vrijgemaakt.
In de latere oorlogsjaren was het kasteel bewoond door een Eindhovense familie, die daar om gezondheidsredenen met een verpleegster verbleef. Met de bevrijding in sept. 1944 was het kasteel inmiddels weer leeg en waren er geruime tijd Engelse soldaten ingekwartierd. Later is het ook nog een aantal jaren bewoond geweest door twee gezinnen De Graaf, die in Hapert een sigarenfabriek hadden.
Ook in de vijftiger jaren was het kasteel maar zelden bewoond.
Inmiddels was het ook in eigendom overgegaan aan de fam. v.d. Lande-Wolters, respectievelijk schoonzoon en dochter van de heer Wolters.
Voor de reconstructie van de Prov. weg die in 1961 werd uitgevoerd, kocht de Provincie de langs het kasteel staande oppasserwoning en een strook grond van de kasteeltuin aan, dat nodig was voor de verbreding van de Prov. weg. Hoewel het erg dicht langs het fietspad gelegen, is de oppasserwoning blijven staan. Het aanzien van het park zelf, ondervond er niet zoveel schade door.
Aan de prov. weg, recht tegenover De Dreef kwam een nieuwe ingang van "Duysels Hof", zoals het park nu heet. Deze naam heeft geen historische achtergrond, maar is wel toepasselijk voor het geheel.
Het was ook in die jaren dat de heer v.d. Lande achter in de kasteeltuin een mooi landhuis bouwde en er ging wonen, want voor de zoveelste keer was weer eens gebleken, dat het kasteel voor permanente bewoning niet geschikt was.
In 1965 werd het steeds leeg en doelloos erbij staande kasteel afgebroken. Goed 100 jaar had het er gestaan!
Veel mensen vonden het jammer. dat het verdwenen is!
Dat was het ook! Maar zo'n gebouw wat totaal geen functie en ook geen bestemming heeft te handhaven, is ook geen kleinigheid! Had er dan ook geen bestemming voor gevonden kunnen worden?
Nog maar kort daarvoor, in 1956-1957 was in Eersel een nieuw gemeentehuis gebouwd. De Maria-kapel op de markt, die al ruim drie eeuwen als zodanig dienst had gedaan, was voor dat doel te klein geworden.
Zo'n kasteel voor gemeentehuis bestemmen, was een van de mogelijkheden geweest. Plaats voor een eventuele uitbreiding was in het achterliggende park ruimschoots aanwezig geweest. Iets dergelijks is wel op meerdere plaatsen gebeurd. Ik denk aan St. Oedenrode en Helmond Maar het kasteel stond niet in Eersel, doch in Duizel. Vandaar!
Ook voor de aanleg van de E3 weg in 1970 moest de kasteeltuin de nodige tol betalen. Wat de grond van de boerderij betrof viel het wel mee, omdat het wegtracé er voor het grootste deel langs liep. Met de Engelse tuin was het erger. Deze werd bijna diagonaal doorsneden. Aan de Eerselse kant bleef er nagenoeg niets van over. Met zijn 80 m. brede bedding voor deze weg had Rijkswaterstaat in totaal 1,60 ha. van dit park nodig.

Een oude gezegde luidt: "Er zijn mensen. die niets kunnen laten liggen als heet ijzer en molenstenen". Iets dergelijks heeft de heer v.d. Lande eens ondervonden, toen hij op een morgen de "Blauwe Poort" gedeeltelijk gedemonteerd vond. Blijkbaar waren de dieven in hun werkzaamheden gestoord en met achterlating van het al gesloopte gedeelte, op de vlucht geslagen. Ze is sindsdien niet meer opgebouwd. De exacte datum van dit gebeuren heb ik, ondanks veel naspeuren niet kunnen achterhalen. Wel staat vast dat het op Hemelvaartsdag, in het midden van de jaren zeventig gebeurd zou zijn.
Ik besluit dit artikel met een meer positief bericht.
In 1971 werd het in 1912 ter ziele gegane Gilde van St. Jan Baptist in Duizel weer nieuw leven ingeblazen en heropgericht.
Bij die gelegenheid werden de heer en mevrouw v.d. Lande beschermheer en beschermvrouwe van het Gilde. In deze functie nodigen zij de leden van het Gilde om de 3-4 jaar uit voor een tuinfeest in de kasteeltuin.
Met"slaande trom en vliegend vaandel", zoals dat in Gildetermen heet, trekt dan het Gilde in vol ornaat, via De Blauwe Poort en De Dreef naar de woning van de beschermheer en beschermvrouwe.
Na een vendelhulde worden door de Gildeleden en, de familie met hun genodigden diverse vogels van de schutsboom naar beneden geschoten.
Ook het benodigde eten en drinken ontbreekt niet. Zeer veel leden maken van deze gelegenheid gebruik om dit kleurrijk en gezellig festijn bij te wonen en het mooie park te bezichtigen.
Mogelijk wordt hiermee een mooie traditie hersteld, want volgens de oude geschiedenis gaf indertijd v.d. Schrieck ook dit soort feesten.

H. Wintermans.




 
Vindplaats (DUIZEL KASTEEL)
 
7 Het klooster van Eersel

Bij onderhandse koopakte ten overstaan van notaris de Wit te Veldhoven kwam het R.K. Kerkbestuur St. Willibrordus te Eersel in het bezit van 6.03.21 ha. bouw en weiland. Dit was het voormalig eigendom van P.J. de Kort, burgemeester van Eersel, en bij testament vermaakt aan zijn erfgenaam,
kapelaan Jos van Eijl, (eerste Rector ).


Op Zondag 10 februari 1901, deelde Henricus Schoenmakers, Pastoor van Eersel, zijn Parochianen mede, dat zijn plan was een liefdegesticht in zijn parochie op te richten. Aan dit huis zouden scholen verbonden worden voor het onderwijs voor de jeugd en een gasthuis voor ouden van dagen.
De zusters van Schijndel zouden het gesticht betrekken. Hij zocht steun bij zijn parochianen om zijn plan te verwezenlijken.
Daags daarna kwam de overste van Schijndel, moeder Ignatia met raadszusters en architect Heikants uit Erp om het terrein, bestemd voor het liefdegesticht,
te bezichtigen.
Na gepleegd overleg kreeg architect Heikants opdracht bestek en tekening te maken.

De totale koopsom bedroeg fl. 3000,00

Op deze plaats stond in de tijden der vervolging de schuurkerk van Eersel. Zij werd omstreeks 1672 gebouwd en in 1729 herbouwd.
Catharina van Engelen, de moeder van burgemeester de Kort, had daar nog de eerste H. Communie gedaan. Een gedeelte van de oude schansmuur is door kapelaan van Eijl nog afgebroken en voor afbraak aan Willem van Breugel verkocht. Deze muur begon met een poortje aan de looierij en reikte tot goed half weg het rectoraat.

Het bouwplan ontving de bisschoppelijke goedkeuring, waarop de aanbesteding volgde 13 augustus 1901.
Architect: Heikants te Erp.
Aannemer van Eyndhoven uit Tilburg.

Op 2 september 1901 ging de eerste spade in de grond gezet.

Begin oktober werd met het metselen van de kelders en het maken van putten en funderingen begonnen.
Na de oplevering hiervan werkte men nog door aan de optrekking van de stalling om deze gedurende de winter te benutten als timmerwinkel. Hier hebben 4 timmerlieden, o.l.v. H. van der Heijden uit Bergeijk, de hele winter gewerkt aan deur- en raamkozijnen, enz.
Door invallende vorst bemoeilijkt kwam de stelling ongeveer half december gereed. Het verdere werk wordt na de winter hervat, omdat men met kalk metselde. Dan waren de funderingen goed verhard en kalkspecie kan geen vorst verdragen.
Nadat het meeste materiaal, metselstenen van de Heibloem en Waalstenen van Burgers, hardsteen van Barette uit Tilburg, kalk uit Luik enz. aangevoerd was, werd op 17 maart daags na Passiezondag zachtjesaan weer begonnen, zodat op 2 april 1902 de eerste steen door Pastoor Schoenmakers werd gelegd.

Aanwezig bij deze gebeurtenis waren o.a. kapelaan van Eijl, architect Heijkants, aannemer Remmerswaal, leden van het kerkbestuur, Jan van Moll en Willem Cox. Leden van den Raad: Luijten, Knapen en H. Kwinten, hoofd der school, hulponderwijzers, werklieden en vele belangstellenden. Om 10 uur verscheen het rijtuig van Frans van Spaandonk, pastoor Schoenmakers, P. van Zijl, professor van seminarie “Beekvliet”. Op de steen staat 19 maart i.p.v. 2 april.


Op 5 november 1902 komen de Zusters van Schijndel om het nieuwe “gesticht” te betrekken. Door ziekte van de pastoor moesten kapelaan van Eijl en Pater Franciscaan Guidus uit Weert de honneurs waarnemen, namens de raad en de ingezetenen nam Burgemeester J.Th.v.d.Boom de honneurs waar.
Deze stonden vroegtijdig aan de Tramhalte (P. Cools - Schellens), samen met het Comité van ontvangst, fanfare “De Goede Hoop”, handboogscchutterij, onderwijzers met de schoolkinderen, bruidjes en een groot deel van de Eerselse bevolking.De Zusters arriveerden met de tram van 4.30 uur.

De algemeen overste M. Ignatia, werd vergezeld door de zusters:

1. Maria Gertrudis (Catharina. Van Kessel uit Kerkdriel) Overste
2. Ma. Petruccia (Henrica van Lith uit Rosmalen) Assistente
3. Ma. Luciana (Johanna Donkers uit Heeswijk)
4. Ma. Cornelis (Catharina Swanenberg uit Nuland)
5. Ma. Josepha (A.M.J. Vorstenbosch uit Beek en Donk)
6. Ma. Elisa (Francisca Raymakers uit Helmond ’t Hout)

Hun verrassing was al even groot; want ook zij hadden op geen openbare ontvangst en feestelijkheid gerekend.
Nu nam kapelaan Jos van Eijl het woord, en overhandigde namens de pastoor de sleutels van het huis aan M. Overste Gertrudis.

Kapelaan Jos van Eijl werd benoemd tot eerste Rector van het nieuw opgerichte gesticht te Eersel, met ingang van 7 november 1902.
Op 9 november 1902, werd de kapel officieel ingezegend door de rector.

Op 30 november 1902 werd in de kapel het nieuwe tabernakel ingezegend.
Op dezelfde dag overleed Pastoor Schoenmakers.
Hij had graag het liefdesgesticht zelf ingezegend, maar wegens zijn gezondheid was hij daartoe niet meer in staat.
Zijn grafsteen ligt aan de Noordzijde van de kerk voor het kruisbeeld.

Op 1 december 1902 werd de bewaarschool, de breischool en de naaischool geopend. In Januari 1903 telde de bewaarschool 32 kinderen namelijk:

Koba Heeren Marietje vd Boom Jan Prinsen
Drika Elsen Liesje Luijten Peer Hoeks
Marietje van Sambeek Marietje Jansen Cornelis de Krom
Mina van Woerkom Corrie Bijnen Jacques van Sambeek
Nellek v.d. Heijden Tonia Rijcken Willem Moonen
Mina v.d.Zanden Mietje Wouters Henri van Moll
Joke Verspaandonk Dora Korstens Jan Goudsmits
Anna Bloks Nelleke van Kuyk Joseph Jansen
Marietje Jansen Henri Verschuuren Piet Verschuuren
Drieka Bierens Henri Kwinten Arnold van Buul
Jan van Moll Gerrit van Diessen

Op 20 februari 1903 werd het gasthuis geopend.
De eerste verpleegster was Maria Noyen, weduwe van Joannes van Laarhoven.

Op 21 september 1903 wordt de taalschool geopend.
Het eerste hoofd van de school was Zuster Gaudentia. (Joanna Maria Aarts geb. te Bergeyk)

De opvolger van Pastoor Schoenmakers, Pastoor Goossens, heeft op 19 maart 1903 (feestdag St.Jozef) het gesticht ingezegend, in aanwezigheid van o.a. Rector van Eijl, A. van Uytregt en de zusters en kinderen van de bewaarschool.

Omdat er weinig ouden van dagen verpleegd werden, konden de kamers benut worden om tuberculeuze patiënten op te nemen,voor wie in die dagen nog zeer weinig gelegenheid ter verpleging was. Zo ontstond het sanatorium.
De streek was zeer geschikt voor tuberculeuze patiënten maar de bouw en inrichting van het huis voldeden niet aan de eisen.

Toen in 1903 van uit ’s Hertogenbosch een aanvraag kwam tot plaatsing van zwakke kinderen, ontstond hieruit de latere gezondheidskolonie.
In het jaar 1906 kwamen een tiental, in 1907 een zestiental en in 1908 een vijftiental patiënten.
Maar ook werden op verzoek van Dr. Van Moorsel te ’s Hertogenbosch zwakke kinderen opgenomen in de vakantiekolonie.
Op 11 oktober 1908 kwam de 100e nieuwe bewoner van het St. Jacobusgesticht, Willem Jansen uit Udenhout, tuberculose patiëntje.
Op 22 December 1908 kwam de laatste patiënt van dat jaar binnen n.l. de 102e
Ferdinand v.d. Ven uit Udenhout 29 jaar oud.
In het jaar 1909 begonnen de uitzendingen voor de kolonie reeds op 1 Juni.

Bouw. R.K. Gezondheidskolonie.
De uitzending van zwakke normale kinderen gebeurde al sinds 1908.
In 1912 werd Leo Weijers benoemd tot rector van het St. Jacobusgesticht. Hij ijverde vooral voor de belangen van het zwakke kind. Er was n.l . in deze tijd een enorme behoefte aan het uitzenden van zwakke kinderen naar een gezondheidskolonie. Mede door zijn toedoen ging de congregatie in 1926 over tot het bouwen van een koloniehuis, naast het bestaande St. Jacobusgesticht. De aanvragen voor de uitzendingen kwamen nu uit het gehele land en al gauw was het nieuwe gebouw te klein.
In 1932 werd de speelzaal (zonder toneel) bijgebouwd en ook in die tijd ging men over tot de bouw van een ziekenhuisje (het tegenwoordige hofke). Voor die tijd was dat zeer modern.
Er waren 10 kamers voorzien, voorzien van dubbele ramen en in elke kamer een toilet en wastafel. Zieke kinderen werden tijdens hun verblijf in Eersel hier verpleegd.
In 1912 werd ook begonnen met de eerste cursus voor kinderverzorging. Deze werd in het koloniehuis gegeven. Het was een 2-jarige opleiding. Het eerste jaar theorie, het tweede jaar praktijk. De lessen werden gegeven elke week van vrijdagmiddag tot zondagmiddag. Er namen zes zusters en 22 leken aan deel. Een van de organisatoren van deze cursus was rector L. Weijers, die erg voortvarend was en die inzicht had in het koloniewezen van die tijd. Later is deze cursus overgenomen door de huishoudscholen, het was toen de z.g. Centrale Raad opleiding, nu is dat de Kinder Verzorging, Jeugd Verzorging Opleiding.
Vanaf 1908 – 1926 werden tijdens de vakanties kleine groepen kinderen uitgezonden, vanaf 1926 (bouw van de gezondheidskolonie) vonden de uitzendingen continu plaats. Een gezondheidskolonie was een huis voor lichamelijk zwakke normale kinderen, die op indicatie van de schoolarts van hun woonplaats voor 6 weken werden uitgezonden. De uitzending geschiedde via huisvestings-comités, groene kruis, witgele kruis e.a. van de plaats van herkomst.
De meest voorkomende indicaties waren: slechte voedingstoestand, slecht sociale omstandigheden, neurasthenie, enuresis-nocturna e.a.
In de jaren tussen 1926-1939 was de gezondheidskolonie enorm druk bezet. Tijdens de vakantieperiodes moesten zelfs noodlokalen worden ingericht om de kinderen te kunnen huisvesten, in de drukke tijden kwamen er zusters uit Schijndel om te helpen.

Intussen was het voor het gesticht een kritieke tijd geweest. Rector van Zijl, die als enig en algemeen erfgenaam alle bezittingen van de familie de Kort naar plicht had beheerd, werd door de Pastoor gedwongen de administratie van roerend en onroerend goed van het St. Jacobusgesticht af te staan.
Dat was een zwarte dag voor de Rector.
De Pastoor deed bovendien pogingen om van het Fonds de Kort een bijzondere jongensschool te stichten, maar overeenkomstig de wens van de erflatersfamilie de Kort, besliste het Bisdom, dat dit niet kon worden toegestaan.

De bouw van de kapel werd onderhands gegund aan Eerselse vaklieden, Jan Kwinten timmerman, Willem Sweegers met Geert van de Ven en van Aalst (de Voort) als metselaars.
Het was “boven hunne bekwaamheid”.

De prachtige Kapel, ontworpen door den heer A. van Gestel, architect te Eindhoven, is zeer ruim en luchtig en is versierd met een nieuw prachtig altaar en banken uit het atelier van den heer J. Kusters te Stratum. Bezijden van het altaar zijn aangebracht sierlijke Gods- en andere lampen gedragen door geornamenteerde armen en gekomen evenals dit fijn afgewerkte tabernakeldeur uit het beroemde atelier van den heer H. v. Gardingen te Eindhoven.
Op 18 maart 1912 werd Rector J. van Zijl pastoor te Nederwetten.
Op 21 Juni 1912 werd Leo H.F. Weijers als Rector geïnstalleerd. Het sanatorium had zich, wat aantal patiënten betrof, voortdurend uitgebreid. Er waren twee afdelingen één voor mannen en één voor vrouwen.

In 1914 brak de eerste wereldoorlog uit.
De kinderen, die op de vakantiekolonie waren mochten direct naar hun ouders vertrekken. Ook de meeste patiënten gingen naar huis. Alles was juist op tijd geregeld, want het was spoedig algehele mobilisatie.
In Eersel kwam de “Landweer” onder de wapenen. Spoedig kwamen er Nederlandsche troepen, om de grensstreek te bezetten.

1940 -1945

Op 10 Mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen.. Honderden vliegmachines passeerden in de nacht de grens, parachutisten daalden op het vliegveld te Eindhoven en op zoveel andere plaatsen neer.
Drie dagen later liepen ’s morgens om half 6 twee Duitse soldaten langs onze school, maar vonden ze gesloten. Ze belden aan de voordeur van het klooster en verlangden, dat de lokalen onmiddellijk zouden ontruimd worden. Deze werden door de Duitsers bezet. Die zelfde dag werd ook het koloniehuis gevorderd. En ingenomen door 120 militairen, waarvoor de zusters te zorgen hadden.
Ook in de jaren 1939-1943 waren de uitzendingen druk bezet.
In 1944-1945 waren er echter buiten alle vluchtelingen die toen onderdak kregen ook nog ± 60 kinderen uit Den Haag en Nijmegen in het koloniehuis. Deze zijn er ± 8 maanden geweest, omdat ze niet naar huis konden.

In 1938 begon de Jodenvervolging in Duitsland.
Velen van de vluchtelingen die uitweken naar ons land, waren rijke Israëlieten. Hun kinderen werden voor een gedeelte opgenomen in ons gesticht.
’t Waren meestal kinderen uit gemengde huwelijken, van sommigen waren beide ouders joods.

De eerste Joodse kinderen kwamen in april 1939.
Op het eind van dat jaar was hun aantal gegroeid tot 53 kinderen.
Onder hen bevonden zich o.a. George en Ursula Levi.
Op 4 April 1943 zijn de kinderen Levi, naar het kamp in Vught overgebracht, en daarna naar Westerbork.
Via vele omzwervingen zijn ze uiteindekijk door de Russen
bevrijd.
George en Ursula kwamen in juni 1945 weer naar het St. Jacobusgesticht, waar ze beiden met vreugde werden ontvangen. Ze wachten nu hier de tijd af, dat ze naar hun oom en tante in Amerika zouden kunnen vertrekken.

Seminarie Beekvliet.

In het voorjaar van 1942 werd het klein Seminarie “Beekvliet” te St. Michielsgestel door de Duitse weermacht gevorderd.
Pastoor Aelen , Rector Weyers en Moeder overste Reinildis, stelden een gedeelte van koloniehuis en het parochiehuis ter beschikking aan het seminarie.
Op 11 mei 1942 werden de eerste professoren en studenten ontvangen.
1 Augustus 1945 werd afscheid genomen van het Seminarie ‘Beekvliet” in het St. Jacobusgesticht te Eersel”.

In totaal heeft het ’t St. Jacobusgesticht gedurende de oorlogsmaanden van eind 1944 en begin 1945 ongeveer 500 evacuees geherbergd.

Het einde van de oorlog kwam voor het zuiden van Nederland in september 1944. Eindhoven werd op 19 september bevrijd.
Na het bombardement door de Duitsers, op dezelfde dag, verlieten veel mensen uit angst de stad, om elders huisvesting te zoeken. Ook het St. Jacobusgesticht werd voor velen een toevluchtsoord.

Ook onze eigen Zusters van het St. Barbaragesticht te Wijbosch, moesten evacueren en op 29 oktober kwamen 30 zusters in Eersel aan.
Ze waren van harte welkom en hoopten en bij ons tot rust te komen.

Na de oorlog bleef het klooster een toevluchtsoord voor vluchtelingen, t.b.c.-patiënten, koloniekinderen, militairen, weeskinderen vele anderen die onderdak zochten.

Voor het vele werk in de oorlog kreeg Moeder Overste, Zr. Reinildis
een oorkonde van het Britse Militaire gezag.
Na 1950 werden de aanvragen voor uitzendingen duidelijk minder.
De congregatie begon zich af te vragen voor welke nood op het gebied van kinderen ze het Eersels huis zouden kunnen openstellen.
Op het advies van de latere Mgr. Bekkers werd besloten zwakzinnigen op te gaan nemen. In die jaren waren er veel zwakzinnige kinderen thuis, vooral voor jong zwakzinnigen waren er in die tijd zeer weinig mogelijkheden.
Zo vertrok op 25 september 1956 de laatste groep koloniekinderen. Hiermede werd een tijdperk afgesloten, maar een rustpauze werd er amper genomen, want vier dagen later kwam ondanks een verbouwing de eerste pupil binnen.

De gezondheidskolonie werd in sept. 1956 gewijzigd in twee totaal gescheiden afdelingen, die elk een nieuwe naam kregen.

Huize St. Jozef. Internaat voor zwakzinnige jongens, beneden twaalf jaar en Huize de Kindervriend bestemd voor hoogstens 60 jongens en meisjes die de B.O. school bezoeken, telkens voor een tijdsduur van 6 weken.

Bij de Kindervriend werd gewerkt met zes groepjes van 10 kinderen. Wanneer de groepen uit dieper gestoorde kinderen bestonden dan kwamen de leerkrachten van de scholen mee, omdat een vertrouwd persoon in de nieuwe omgeving voor de kinderen belangrijk was. Deze afdeling was mooi en leverde goed werk. Van het begin af aan werd het echter als een nadeel ervaren om met twee verschillende afdelingen in een huis te zijn ondergebracht.
Sint Jozef, het internaat voor jongens tot 12 jaar, werd zoals al is gezegd in hetzelfde gebouw ondergebracht.

Op 30 september 1956 komt de eerste pupil voor St. Jozef binnen n.l. Corry Clement uit Breda.

Omdat de mogelijkheden tot nieuwbouw nog niet te overzien waren en mede doordat twee gescheiden afdelingen in één huis erg moeilijk werken was, werd door de congregatie besloten Huize de Kindervriend op te heffen, dit tot spijt van de B.O. bond.
In september 1959 werd officieel afscheid genomen van de Kindervriend.
Het overige personeel kwam bij St. Jozef in dienst.
.
Zo werd er in september 1959 gestart met de Z-opleiding. Al het aanwezige personeel met Zr. Ma. Jacoba inbegrepen ging de cursus volgen. Dit om erkend te worden als inrichting voor het verplegen van zwakzinnige kinderen.

Men begon op het einde van 1961 met de bouw van Maranatha.

Daar de congregatie bezig was met nieuwbouw plannen en het toen nog niet duidelijk was of de gebouwen in de toekomst nog moesten functioneren, waren er voor de aanpassing en inrichting geen kosten meer gemaakt.



In 1965 bij een controle van de inspectie van de volksgezondheid kregen we het advies om enkele ziekenboxen te bouwen, omdat bij een mogelijke infectie de kinderen niet afgezonderd konden worden.
Deze ziekenboxen zijn niet zo intensief in gebruik geweest, daar er toen minder zieken waren, als aanvankelijk werd gedacht.

In het jaarboek van de Katholieke Vereniging van Inrichtingen voor behandeling en verpleging van geestelijk gestoorden kwamen de volgende gegevens voor:

1965 op 31 december 1964 179 bedden
Aantal verplegenden 54

1966 op 31 december 1965 185 bedden
Aantal verplegenden 58

1967 op 31 december 1966 186 bedden
Aantal verplegenden 69

Staf en directie bestonden in die jaren uit 2 fulltime mensen namelijk de heer v.d. Bosch en Zr. Heriberta. De rest van de mensen was parttime en de arts (huisarts) was Dr. Corstens uit Hapert en tevens consulent.





Wat de bouw in Duizel betreft wil ik nog even aanhalen dat:

1967 Het 1ste paviljoen klaar kwam, waar 6 diepgestoorde groepen in kwamen
van elk 12 kinderen per groep

1968 Kwam het 2de paviljoen klaar met de school. Hier werden 6 groepen
schoolkinderen in ondergebracht..

1971 In januari 1971 kwam de flat klaar, met keuken en aula.
In januari 1971 vertrokken alle verzorgsters en een groepje zusters van Eersel naar Duizel. Mentor en mentrix waren in 1970 al benoemd.
1 Oktober 1971 wordt drs. F. v. Gorp algemeen directeur van St. Jozef.

In de 80-tiger jaren werd het klooster afgebroken ten faveure van een nieuw gemeentehuis.
Onder de bevolking van Eersel was veel weerstand tegen het bouwen van een nieuw gemeentehuis en het slopen van het klooster.
Een bewogen en interessante geschiedenis werd afgesloten en de ontwikkeling en expansie van De Donksbergen kon zijn vervolg krijgen.
Men bedenke hoe met relatief weinig middelen en veel inzet door de religieuzen van de congregatie van de Zusters van Schijndel zo’n imponerend gebouwencomplex werd gerealiseerd.


We sluiten dit album af met een enkele foto's van de afbraak van het klooster.

 
Vindplaats (KLOOSTER EERSEL)
 
8 Hij maakte veel foto's van Eersel in de periode 1924-1930. GOMMERS, Petrus Josephus (I10)
 
9 Hij studeerde op de Ruwenberg te St. Michielsgestel, behaalde daarna de diploma’s G.A. Hij kwam uit een bestuurlijke familie want zijn grootvader werd burgemeester van Sambeek in 1887, opgevolgd door zijn vader die er 30 jaar lang burgemeester was tot 1944 STEVENS, Johannes Lambertus Antonius (I1)
 
10 Joseph David Schulte, geboren te Avereest 25.04.1918,maar woonde in Steensel. Direct na de bevrijding van zijn dorp, op 19 september 1944, naam hij diens als vrijwilliger. Hij sneuvelde op 28 oktober 1944 nabij Best tijdens het opruimen en demonteren van mijnen [ADK]. Hij rust in een oorlogsgraf op het kerkhof van Steensel [Info JR] SCHULTE, Joseph David (I28)
 
11 Mede oprichter van Brabants Heem BEEX, Gerrit Adrianus Cornelis (I30)
 
12 Naast Tweede Kamerlid vervulde hij veel maatschappelijke functies binnen de KVP en in diverse andere organisaties en instellingen.
-voorzitter fanfare te Eersel
-voorzitter Kempische Bond voor muziekgezelschappen
-lid hoofdbestuur R.-K. Bond van Onderwijzers in het bisdom 's-Hertogenbosch
-voorzitter Kempische land- en tuinbouwonderwijzers
-voorzitter Nederlandse Vereniging van Landbouwonderwijzers
-directeur Boerenleenbank
-lid bestuur Stichting HBS in de Kempen
 
VAN DER ZANDEN, Hendricus Hubertus (I27)
 
13 Nadat hij gymnasium B op het Augustinianum in Eindhoven heeft gedaan (1962) volgt in 1969 zijn doctoraal examen psychologie in Leiden.
In september 1970 treedt hij in dienst van de T.U. Eindhoven als wetenschappelijk hoofdmedewerker vakgroep Organisatiepsychologie.
Hij deed bestuurlijke ervaring op als lid en/of voorzitter van diverse commissies.
Zijn vader was oud-burgemeester van Heeze, zijn grootvader was gehuwd met A.H. Schellens, wier broer Laurentius Schellens burgemeester van Eersel was (1832-1895) 
VAN AGT, Johannes Andreas Maria (I2)
 
14 Oud provinciaal Archeoloog
 
BEEX, Gerrit Adrianus Cornelis (I30)
 
15 Oud rector/directeur Rythovius College Eersel VAN DER HART, Jan Marie (I12)
 
16 Oud-directeur onderwijsbureau OMO, Tilburg VAN DER HART, Jan Marie (I12)
 
17 Oud-gedeputeerde van de Provincie Noord-Brabant VAN DER HART, Jan Marie (I12)
 
18 Oud-hoofd van de Willibrordusschool te Eersel MAAS, Henricus Josephus Cornelis (I14)
 
19 Reeds in het begin van de 17e eeuw bestond te Duizel een bijzondere verering voor St. Jan de Doper. Onderdeel van de cultus is de wijding van de zogenaamde St. Janstrossen, speciaal samengestelde bloemboeketten die bescherming moeten bieden tegen bliksem en ziekten. Anno 1996 bestaat de St. Jansverering te Duizel uit het ‘optrommelen’ van de gelovigen door harmonie en St. Jansgilde, gevolgd door een korte pelgrimsmis in de open lucht.
__________________________________________________________________________

Topografie
- De parochiekerk van Duizel is gewijd aan St. Jan Geboorte (24 juni). Het patronaat van de kerk behoorde in vroeger tijden toe aan het Luikse Bartholomeuskapittel. Vanaf het einde van de 17e eeuw viel Duizel onder de norbertijner abdij Tongerlo en werden haar kanunniken steeds als pastoor te Duizel aangesteld. Weer later raakte Duizel onder de bediening van de abdij van Postel (1648-1827).
- Na 1648 kwam de parochiekerk in protestantse handen. De katholieken kerkten in die tijd in een schuurkerk in de Groenstraat, totdat in 1798 de parochiekerk werd teruggegeven. Op 9 november 1800 deed een storm de kerktoren van de oude kerk bezwijken en richtte het neerstortende puin aan de rest van het kerkgebouw een enorme schade aan. Tot 1822 moesten de katholieken noodgedwongen opnieuw uitwijken naar de schuurkerk in de Groenstraat.
- In de 20e eeuw werd in Duizel een nieuw kerkgebouw in neogotische stijl opgetrokken. Deze kerk werd opnieuw gewijd aan St. Jan de Doper. Op 5 juli 1926 werd de nieuwe parochiekerk plechtig ingezegend.

Cultusobject
- Object van verering te Duizel is St. Jan de Doper. In de parochiekerk staat een beeld van hem met een eenvoudige boetestaf. Het door houtworm aangetaste lindenhouten beeld is enkele eeuwen oud en heeft al die tijd in de kerk van Duizel gestaan.
- Eind zeventiger jaren van de 20e eeuw liet het in 1971 heringerichte St. Jansgilde een tweede beeldje van Jan de Doper vervaardigen van palmhout.

Verering
Geschiedenis
- Jan de Doper (24 juni) wordt gezien als een voorafbeelding van Christus. Als boeteprediker trok St. Jan door de woestijn van dal langs de Jordaan en doopte diegenen die naar hem wilden luisteren. Zo doopte hij ook Jezus Christus. St. Jan noemde Jezus bij dit doopsel het Lam Gods. Hij werd gevangen genomen door Herodias en vervolgens door hem op listige wijze onthoofd.
- St. Jan wordt iconografisch veelal voorgesteld als boeteprediker met boetestaf met banderol (Ecce Agnus Dei) of wijst op het Lam Gods dat hij op de armen draagt.
- De verering van St. Jan te Duizel bestaat in ieder geval al sinds het begin van de 17e eeuw. Duizel moet in die tijd reeds een druk bezochte bedevaartplaats zijn geweest; aan het begin van die eeuw bestond te Duizel immers al het St. Jansgilde (eerste vermelding: 19 mei 1615).
- In de tijd van de reformatie, zo memoreert Franciscus Augustinus Wichmans, raakte de devotie voor Jan de Doper te Duizel bijna in de vergetelheid.

St. Janstros
- Ter ere van Jan de Doper worden in Duizel ieder jaar op het feest van St. Jan (zondag 24 juni of, als 24 juni niet op een zondag valt, een in overleg vastgestelde nieuwe datum) tijdens de bedevaartmis de zgn. St. Janstrossen gewijd en buiten aan de woonhuizen opgehangen. De St. Janstros kan worden omschreven als een samengesteld bloemboeket dat na zegening bescherming moet afgeven tegen met name ziekten en blikseminslag. In de bloemtros komen vaak zeven planten voor vanwege het magische aantal letters in de naam Joannes. In de St. Janstros kan men onder meer het St. Janskruid, gele St. Janskruid, korenbloem, witte en rode rozen, wilde lissen, viooltjes, margrieten, anjers, varens, grassen en notenbladeren aantreffen. De St. Janstrossen werden in vroeger tijden ook in veel andere Brabantse plaatsen buiten aan de huizen opgehangen. Opdat de tros maar lang goed mocht blijven, stak men soms de stengels van de planten in een aardappel. De oude tros werd op de vooravond van de nieuwe wijding verbrand.
- In 1895 werd door de lokaal historicus P.N. Panken medegedeeld dat het gebruik van de zgn. St. Janstros nog het sterkst werd onderhouden in de dorpen die St. Jan als kerkpatroon hadden. Ook vertelde hij dat hij in die tijd de St. Janstrossen weer aan de huizen van Duizel had zien hangen. Ook in de zestiger, zeventiger en begin tachtiger jaren van de 20e eeuw was voor de bijzondere verering voor Jan de Doper en de wijding van de St. Janstrossen nog veel belangstellingen. Zo schrijft W.H.Th. Knippenberg in het eerste deel van zijn Devotionalia. Religieuze voorwerpen uit het katholieke leven over de Duizelse processie: ‘Te Duizel, waar in 1960 op zondag na St. Jan een mooie Sint-Jansvaart door het dorp te zien was en waar bijna aan ieder huis een tros hing, heb ik in 1973 nog diverse tientallen trossen bij de deuren aangetroffen. Ook te Oerle en Zandoerle hingen er in 1973 enige, maar niet zoveel als in Duizel'.
- Reminiscenties aan de bijzondere verering van Jan de Doper zijn er verschillende in Duizel: het wapen van Duizel en Steensel (afbeelding Jan de Doper), kerkklok (Johannes), basisschool St. Jan Baptist, St. Jansstraat, gilde-attributen St. Jansgilde (onderscheidingstekens, hoofdvaandel, trommen, dekenstokken, hoofdmanspiek), St. Janshoeve (Hapertseweg), ponyvereniging St. Jansdravertjes. Sinds 1994 bakt de bakker van Duizel voor het feest van Jan de Doper ook St. Janskoeken. Op de koeken prijkt het logo van het St. Jansgilde.

Processie
- Zoals gezegd is Duizel al sinds het begin van de 16e eeuw een bedevaartplaats. Aard en samenstelling van een processie in vroeger eeuwen zijn onbekend. In welke periode de processie eertijds precies is ingevoerd, is onbekend.
- In vroeger tijden werd het feest van St. Jan altijd gevierd op 24 juni of op de eerste zondag na 24 juni. Tegenwoordig viert men het feest te Duizel op zondag 24 juni precies. Valt 24 juni in het volgende jaar niet op een zondag, dan wordt het feest op het eind van het voorgaand jaar vastgesteld door het St. Jansgilde.
- Kern van de verering van St. Jan is de wijding van de St. Janstrossen tijdens de bedevaartmis op het feest van Jan de Doper. De bloemtrossen worden gezegend met een algemeen gebed of met een soort van namaakformulier. Vele gelovigen hebben tijdens de plechtigheid een St. Janstros - in de zeventiger jaren van de 20e eeuw nog op stijf karton genaaid - bij zich die zij laten zegenen. Thuis aangekomen hangen zij die aan de buitenmuren van hun huizen.
- In de 19e en 20e eeuw werd op het feest van de St. Jan, vanwege het processieverbod, processie gehouden over de rondgang van het kerkhof en door de pastorietuin. Men trok met het Allerheiligste naar een rustaltaar waar een lof werd gehouden. Vervolgens bracht men het Allerheiligste in processie weer terug naar de kerk.
- De processie van Duizel kreeg in 1956 door het toedoen van pastoor Van Houtert een geheel vernieuwd karakter: bijbelse voorstellingen, loopgroepen met bruidjes, bloemendraagsters in bruidjeskleding, acolieten als wierokers en dergelijke. De St. Jansvaart - een term bedacht door pastoor Van Houtert - trok van de parochiekerk naar het einde van het Smitseind waar een rustaltaar was ingericht bij de Mariakapel aan de Groenstraat (ca. 400 m). Hierna ging men weer terug naar de parochiekerk. Achter de bruidjes in de processie liepen alle uitgenodigde pastoors uit de omgeving en de notabelen van het dorp. De pastoor sloot de processie, lopend met het Allerheiligste onder een baldakijn. Dragers met flambouwen begeleidden hem. De gehele processieroute was versierd met bloembakken en tweekleurige wimpels, opgehangen op houders. De meeste gelovigen die langs de processieroute woonden, plaatsten een H. Hartbeeld in de deuropening. Dankzij de nieuwe impuls van pastoor Van Houtert kon de St. Jansvaart zich weer verheugen in een grote belangstelling vanuit de regio.
- Aan het einde van de zestiger jaren van de 20e eeuw verminderde de belangstelling voor de St. Jansvaart drastisch. Veel gelovigen waren niet meer bereid deel te nemen aan de verschillende loopgroepen. De pastoor benaderde het in 1971 heringerichte St. Jansgilde en vroeg haar medewerking om het feest van St. Jan nieuw leven in te blazen. Op die manier ontstond het St. Jansfeest zoals het tegenwoordig nog in Duizel gevierd wordt (‘optrommelen' van de gelovigen, H. Mis in de open lucht, wijding St. Janstrossen, vermaak voor de belangstellenden in de vorm van volksspelen e.d.).
- Het feest van Jan de Doper werd anno 1996 voorafgegaan door het traditionele `optrommelen' van de gelovigen voor de H. Mis door de plaatselijke harmonie. Een half uur voor de aanvang van de eucharistieviering trekt het St. Jansgilde met de harmonie dan het dorp rond (volgorde: harmonie, verenigingsvaandels, St. Jansgilde) om de gelovigen op te roepen naar de kerk te komen. Ieder gildelid draagt dan een St. Janstros. Ook alle attributen zijn dan voorzien van een bloementros. Belangstellenden kunnen onderweg bij de stoet aansluiten (tussen vaandels en gilde). In de oude kerktoren van Duizel worden dan tegelijkertijd de klokken geluid. Bij de oude toren aangekomen, sluiten de dragers met het St. Jansbeeld en de pastoor zich bij hen aan. De harmonie zet de processiemars in en alle deelnemers trekken het plein tussen de parochiekerk en het dorpshuis waar de St. Jansmis wordt gehouden. In 1995 waren er zo'n 600 belangstellenden. Het feest van St. Jan met de wijding van de St. Janstrossen beperkt zich bijna alleen nog tot de inwoners van Duizel en hun familie en kennissen. Een en ander krijgt steeds meer een folkloristisch karakter.
Wanneer het feest van St. Jan de Doper in het toekomende jaar niet op zondag 24 juni valt, stelt het gilde op het einde van het voorgaande jaar een datum vast. Men houdt in het vaststellen van een datum ook rekening met allerlei plaatselijke en regionale aktiviteiten.

Gilde
- Het St. Jansgilde van Duizel bestond reeds in de 16e eeuw. Bijzonderheden over het gilde in die tijd ontbreken. In 1721 wordt melding gemaakt van nauwe betrokkenheid van het St. Jansgilde bij de viering van St. Jansdag. Leden van het gilde waren in die tijd verplicht mee te lopen in de processie. In 1912 werd het St. Jansgilde opgeheven. Op 5 januari 1971 werd weer een nieuw St. Jansgilde opgericht: ‘St. Jan van Duizel en Steensel'.
- Met de eigen gildeleden woont het St. Jansgilde ieder jaar een eigen eucharistieviering bij waarin de eed aan het geestelijk gezag wordt vernieuwd. Na de mis wordt gezamenlijk een feestavond gehouden. Veelal valt een dergelijke festiviteit op de zaterdag in het weekend voorafgaand aan zondag 24 juni. Wanneer 24 juni, het feest van Jan de Doper, niet op een zondag valt, dan trekt het gilde op die dag met slaande trom de kerk binnen om de mis bij te wonen.
- Voor de aanvang van de eucharistieviering op zondag 24 juni trekt het St. Jansgilde met de harmonie het dorp rond. Volgens oud gebruik wordt vóór de eucharistieviering het beeld van St. Jan door het St. Jansgilde op een rijk met bloemen versierde draagbaar van de kerk naar het kerkplein gedragen. Tijdens deze ceremonie dragen de leden van de gildeoverheid een staf die getooid is met een St. Janstros en een klein identiek palmhouten St. Jansbeeldje.
Bronnen
A Parochie-archief St. Jan de Doper Duizel, liber memorialis; St. Jansgilde, Jeroen van de Ven.
 
Vindplaats (DUIZEL1)
 
20 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw VAN DER HART, Jan Marie (I12)
 
21 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (29-04-1956) VAN DER ZANDEN, Hendricus Hubertus (I27)
 
22 Test VAN RIJCKEVORSEL, Jhr. Mr. Dr. Augustinus Bernardus Gijsbertus Maria (I31)
 
23 Willibrorduskerk


Ligging decentraal.
De theorie van de heer Arjen Kakebeeke (heemkundige en archivaris) was dat de kerk centraal gebouwd werd tussen de toen bekende buurtschappen Hint, Stokkelen, Schadewijk en de Hees.

Grootschalig onderzoek aan de zuidzijde van Eersel in het begin van de 21e eeuw, voor de realisatie van het plan Kerkebogten, heeft nieuwe informatie opgeleverd. In het opgegraven oppervlak van ruim 7 ha zijn enkele grafmonumenten uit de Midden Bronstijd, alsmede vijf huisplattegronden, tal van spiekers (voorraadschuur waar graan opgeslagen wordt) en waterkuilen tevoorschijn gekomen. Een tiental huizen dateert uit de Late IJzertijd en de Romeinse tijd en uit een aantal bijbehorende waterputten zijn bijzondere houten voorwerpen geborgen.
Hiermee is Eersel een van de belangrijkste vindplaatsen uit deze periode op de Zuid-Nederlandse zandgronden
Dit was ook de reden om daar in die tijd naast andere bebouwing een kerk te bouwen, dus op de plek waar nu onze kerk staat

Oudste geschiedenis.
Dit zou ook passen in de akte van schenking van Aengilbertus. (Zie bijlage 1.)
Deze akte is een van de oudste geschreven documenten die we kennen over Eersel en gaat over de schenking van Aengilbertus , zoon van Gaobert, aan St. Willibrordus.

St. Willibrordus vermaakt later(726) alles aan zijn abdij in Echternach; binding van Eersel met Echternach en zijn nevenvestigingen Averbode, Floreffe en Postel.

Het past dan ook wel in de geschiedenis van die tijd, dat de bekeerde landedelen ook een kerkje lieten bouwen bij een van hun bezittingen.
Omdat hout en leem in deze streken wel voorhanden waren, ligt het voor de hand, dat er eerst een houten kerkje gebouwd zal zijn, wat later vervangen is door een stenen gebouwtje.

Geschiedenis na 1200.
Bij het eerste stenen kerkje wordt aan het einde van de 14de eeuw (1381) een toren gebouwd met bakstenen en natuursteen.

Daarna tegen deze toren eind 15de eeuw (1480) een nieuwe stenen kerk, zonder kruisarmen, waarvan nu ons middenschip nog over is. Oorspronkelijk ook ingang aan de zijkant, zoals te zien op de schetsen van Hendrik Verhees.

De Beeldenstorm aan het begin van de tachtigjarige oorlog heeft geen schade berokkend aan de kerk; er waren in die oorlog wel plunderingen en brandschattingen in en rond Eersel.
Bij Vrede van Munster in 1648 werden alle kerken protestants bezit (staatsgodsdienst) en moesten de katholieken uitwijken naar schuurkerken, eerst in Luyksgestel, later oogluikend in een schuurkerk aan de Dijk.

De weinige protestanten hadden nu wel een grote kerk, die ze eigenlijk niet konden onderhouden en waar, tot overmaat van ramp in 1709 de vallende torenspits het dak van de kerk vernielt.

In 1798 komt er (in de Franse tijd) een nieuwe staatsregeling, waarbij de kerken aan de grootste gebruikersgroep worden toegewezen. Dat was snel geregeld in Duizel met 4 protestanten op 259 katholieken en in Steensel met 3 protestanten op 297 katholieken.
In Eersel met 27 protestanten op 814 katholieken had dat heel wat meer voeten in aarde. De protestanten wilden wel graag die grote kerk kwijt, die ze toch niet konden onderhouden, maar wilden daar wel graag een en ander voor terugzien; om te beginnen geld voor de bouw van een eigen kerkje en een woning voor de dominee, die nu in de pastorie woonde; kerk en pastorie zouden daarvoor getaxeerd moeten worden.
Ds. Ross gebruikt alle ter beschikking staande vertragingstaktieken (geen mandaat voor de onderhandelaars, onvoldoende handtekeningen etc.).
Eind 1799 is de kerk getaxeerd op 2724 en de pastorie op 1750 guldens en kunnen eindelijk de handtekeningen onder de overeenkomst, waarbij de protestanten in de pastorie kunnen kerken tot er een nieuwe kerk is voor hen.
Gebrek aan geld vertraagt een en ander verder tot Lodewijk Napoleon in 1809 besluit fl. 3000 vrij te maken voor de bouw van de protestantse kerk, die met vertraging (Franse inlijving) in 1812 gerealiseerd kan worden.
De pastorie wordt als domineeswoning toch bezet gehouden door ds Raucamp tot die in 1817 sterft. De protestanten willen de pastorie dan toch nog niet teruggeven tot de gemeente in 1922 ingrijpt en de pastoor terug kan in de pastorie en de voormalige pastorie verbouwd kan worden tot school.
De kerk was dus al weer teruggegeven. De toren van de kerk blijft echter in bezit van de gemeente vanwege de alarmfunctie. Wel krijgen de katholieken in 1855 het recht van doorgang door de toren naar de kerk en worden de deuren daarop aangepast.
De toren blijft tot 1917 in bezit van de gemeente en wordt dan verkocht aan de katholieken, mits de alarmfunctie behouden zal blijven en luiden van de klokken ook voor het overlijden van andersgezinden blijft; een sleutel van de toren blijft daarom op het gemeentehuis in bezit van burgemeester van de Boom.

In 1837 wordt door pastoor de Wit een nieuwe pastorie gebouwd; hoewel de parochie arm is wordt de kerk opgeknapt en in 1882 wordt het interieur verbouwd en gerestaureerd. In de periode 1880-1900 wordt het interieur ook verfraaid (Hoogaltaar, biechtstoelen, preekstoel, kruisweg, schilderingen Lommen).

Veranderingen en uitbreiding in de 20ste en 21ste eeuw.
Ondertussen heeft pastoor Goossens in 1904 een nieuwe pastorie laten bouwen en de Paulusbond met de stenen van de afgebroken oude pastorie; het was een eerste vergaderlokaal voor de jeugd en de arbeiders.

Eersel groeit ondertussen en daarmee ook de katholieke gemeenschap. Er is behoefte aan een grotere kerk, maar er is geen geld.
In 1924 wordt daarom de toren opgebroken en een tribune geïnstalleerd, die zo’n 60 jaren later al weer is verwijderd..
Er blijft discussie over verbouwen versus nieuwbouw. Pastoor Joosten wil dan eigenlijk graag een nieuwe kerk bouwen, liefst meer in het centrum. Kerkmeester W. Kox meent dat de pastoor er dan ook maar wat varkenskotjes bij moet laten bouwen, want de boeren zullen hem dan geen “carbonaai” meer komen brengen.
De kerk blijft dan toch maar op zijn huidige plaats en wordt in 1930 – 1931 uitgebreid met de huidige zijarmen en een nieuw priesterkoor o.l.v. architect Valk.

In 1943 werden tijdens de wereldoorlog de klokken weggehaald door de bezetter; na de oorlog zijn er weer nieuwe klokken gegoten, zij het van iets mindere kwaliteit.

Na de oorlog zijn nog verscheiden kleinere veranderingen gerealiseerd:
Na het tweede Vaticaanse Concilie is het priesterkoor aangepast (vloer, trappen, altaartafel).
Het orgel is in die periode gerestaureerd en verplaatst van zangkoor naar het priesterkoor.
In 1981 is de kerk gerestaureerd
Glas in loodramen uit de kapel van het klooster in de ramen van het middenschip aangebracht (1993).
In 2004 altaar, tabernakel en retabel in bruikleen gekregen van de zuster Dominicanessen van Bethanie; altaar en tabernakel geplaatst op de plaats van het St. Jozefaltaar.
St. Jozefaltaar en oude tabernakel verplaatst naar de kapel achter in de kerk.


Architectuur.
De heer Strijbos, architect in Eersel, heeft wat studies gemaakt van de kerken en de torens in de Kempen en die beschreven in zijn boek: Kerken van Heren en Boeren.
Hij is op grond van bouwhistorische studies tot de conclusie gekomen, dat op de plaats van de huidige kerk oorspronkelijk een houten kerkje zal hebben gestaan, omdat de bouwmaterialen daarvoor beschikbaar waren in de tijd van St. Willibrordus en de eerste eeuwen daarna. Later waarschijnlijk vervangen door een grotere natuurstenen kerk, waarvoor de stenen aangevoerd moesten worden uit Belgie, Frankrijk of de Eifel.
Rond 1380 is daar de huidige toren bij gebouwd, toen er bakstenen beschikbaar kwamen vervaardigd uit leem uit de regio, met natuurstenen tussenlagen (waarschijnlijk beschikbaar vanuit de wand, waar de toren tegen aan werd gebouwd); zo’n eeuw later is het huidige middenschip tegen deze toren aangebouwd.

Kerken en vooral de torens in de Kempen lijken wel wat op elkaar (bijv. Eersel en Hoogeloon; ze noemen dat de Kempische gotiek die een bepaalde maatvoering kent: de toren, die aan de voet 8 x 8 m heeft, heeft dan een spits van 16 m. en een eigenlijke toren van 18,5 meter; romp was t.o.v. de spits 1/14de van de totale hoogte hoger dan de spits; de toren was verdeeld in geledingen; hoe meer geledingen (liever 4 dan 3) en hoe hoger de toren, hoe rijker de parochie.

Gewelven waren oorspronkelijk van hout (tongewelven) waarvan er twee resten over zijn in onze kerk (en in de kapel op de Markt); we hebben ook weinig gemetselde gewelven in onze kerk (alleen in de toren) maar onze gewelven zijn eigenlijk schijngewelven vervaardigd uit vlechtwerk waar stucwerk tegen aan gezet is.

Onze kerk staat op de lijst van Rijksmonumenten en had oorspronkelijk 2 nummers:
14569 voor het oude gedeelte 517808 voor de uitbreiding van 1931; inmiddels is daar alleen het laatste nummer nog van over na de sanering van de lijst door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
In de redengevende omschrijving wordt ook ons monumentale orgel vermeld.

Pastorie en Kapel a/d/ Dijk staan op de lijst van de gemeentelijke monumenten; de Kapel op de Markt is ook een Rijksmonument

Monumentenstatus heeft gevolgen voor restauratie en onderhoud.


De schenking aan St. Willibrordus in 712.

De schenking, die voor de geschiedenis van de kerk van Eersel van betekenis is gebleven is vervat in een brief, die de pastoor van Deosne (Diessen), Docfa, namens Willibrord’s metgezel de frankische edelman Aengelbert in het jaar 712 schreef. Deze brief, in het Latijn opgesteld, geven we hier in het kort weer.

‘In de naam van Christus
aan de heilige en geliefde vader bisschop Willibrord Aengelbertus, zoon van wijlen Gaobert, schenker.
Daar de wetten en rechten zulks toelaten, en het de gewoonte van de Franken is naar welgevallen over hun landgoederen te beschikken, en het bovendien nodig is vóór het onzekere einde van het leven iets van het zijne tot Gods eer af te zonderen, om zodoende vergiffenis van zonden te verkrijgen, heb ik, Aengelbert, met raad en instemming van mijn broeder Verengato, tot heil van mijn ziel en eeuwig loon, u, heer en vader, een gedeelte van mijn bezittingen willen schenken, hetgeen ik doe als volgt:
In het landschap Toxandrië, ter plaatse Eresloch, geef ik u alles wat mij van mijns vaders wege daar toekomt, te weten: drie bouwmanswoningen (sala) met mijn huis en erf, drie lijfeigenen met hunne vrouwen en kinderen, en in Deosne (Diessen) genaamd een bouwmanswoning met lijfeigenen, zijne vrouw en kinderen. Dit alles draag ik van heden af aan u over met het peculium (kerkelijk vermogen) en de verdere aanhorigheden, als hutten, hoven, bossen, gronden, hooi- en weilanden, waterlopen, roerende en onroerende goederen en het watricaso (waterwerk) en wil, dat het u ten eeuwige dage gegeven blijve………….’

(bron: Jubeljaar 1981 St. Willibrorduskerk Eersel, pag. 25)

Interieur van de kerk.

Nieuw altaar en tabernakel .
In 2004, samen met de retabel van O. L. Vrouw van Altijddurende Bijstand, in bruikleen gekregen van de Dominicanessen van Bethanië bij de sluiting van hun klooster in Venlo en nu geplaatst waar vroeger het St. Jozefaltaar stond.

Het altaar uit natuursteen en marmer is een ontwerp van architect Jules Kayser uit 1928.
De tombe is van zwarte natuursteen met een koperreliëf, dat twee duiven aan de bron moet voorstellen. Het altaarblad is van wit marmer, de twee kaarsenbanken aan weerszijde van het tabernakel uit zwart marmer, terwijl voor de poten gekleurd marmer is gebruikt. Het oorspronkelijke tabernakel, in gekleurd en zwart marmer, is in 1956 aangepast door Kloosterman uit Tilburg. De huidige deurtjes zijn van koper met email met symbolische voorstellingen van de 4 evangelisten en symbolen van Christusvoorstellingen, als Lam Gods, Pelikaan, Brood en Vis, en Christusmonogram.
Twee engelen van koper, 60 cm hoog zijn waarschijnlijk ook van Kloosterman (ca. 1950). Voorheen droegen de engelen de tabernakelbekroning met wit satijnen gordijntjes, later vervangen door de huidige expositietroon met een draaimechaniek, waardoor het Allerheiligste achter glas kon worden uitgesteld.

Verder horen, volgens de overeenkomst, bij het geheel nog een devotielamp, 6 kandelaars en een altaarkruis.

2. Retabel van O. L. Vrouw van Altijddurende Bijstand.
Deze retabel met icoon is ook in 1956 ontworpen door Kloosterman uit Tilburg.
De icoon is van opaline; de zijpanelen van koper en stellen verschillende Dominicaanse heiligen voor, zoals St. Petrus St. Dominicus, St. Catharina en Imelda Lambartini?. Verder staan daarnaast een aantal titels uit de Litanie van Maria (Troosteres der Verdrukten etc.).

3. Beelden.
Stokkelse Kant vanaf het tabernakel: Lucas (met rund) en Johannes (met arend) in zandsteen en aan de andere zijde Johannes en Maria.

Willibrorduskant: vanaf het Mariaaltaar het Mariabeeld (van Jo Uiterwaal), Mattheus (met kind) en Marcus (met leeuw) in zandsteen en aan de andere kant St. Willibrordus. De Evangelisten zijn afkomstig van het vroegere Hoofdaltaar.

In het middenschip tegen de pilaren van voor naar achter:
Links: H. Theresia van Lisieux, St. Paulus (met zwaard) en St. Catharina (met Rad)
Rechts : H. Antonius van Padua, St. Petrus (met sleutel) en H. Barbara (met toren).

Verder staan achter in de kerk 2 houten beelden: Christus, het Lam Gods en H. Theresia van Lisieux.

St. Jozefkapel: St. Jozefbeeld met een retabel met taferelen uit zijn leven (Jo Uiterwaal).
Verder staat hier ook het vroegere tabernakel op een marmeren zuil.

Mariakapel: met het beeld van O. L. Vrouw ter Sneeuw, dat meegaat in de jaarlijkse bedevaart naar Werbeek bij Retie (B).

4. Schilderingen:
Boven de boog tussen middenschip en priesterkoor een schildering uit 1893 van Lommen uit Roermond (leerling van Cuypers): Christus met het kruis, geflankeerd door 2 engelen; met de tekst:
“Si vis perfectus esse, tolle crucem tuam et sequere me” (Als ge volmaakt wilt worden neem dan uw kruis op en volg Mij).
De schildering (in neogotische stijl) is bij de restauratie in 1981 ontdekt, samen met de versiering op de kruisribben van de gewelven.

De Kruiswegstaties uit 1885 zijn geschilderd op metaal (messing?) en verkregen na een schenking van ene mijnheer Joannes, Chrysostomos Cox, geboortig uit Eersel, die later als rentenier verhuisd is naar St. Huijbregts Lille en daar ook overleden is en voor zijn dood fl. 1000 geschonken heeft aan pastoor Schoenmakers.

5. Biechtstoelen:
De offerte voor de biechtstoelen van van Opstal uit Turnhout lag er al in 1885, maar werd pas in 1988 goedgekeurd door de bisschop en aansluitend vervaardigd. Opvallend is het prachtige houtsnijwerk van de engelen met de attributen, die staan voor de tijd, de rechtvaardigheid, de vergankelijkheid en de boetvaardigheid.

Opm. In de laatste 20 jaar van de 19de eeuw is er veel verfraaid in de kerk met, naast de schilderingen, de kruisweg en de biechtstoelen: een nieuw hoogaltaar en ook een prachtige preekstoel, die nu nog steeds te bewonderen is in de kerk van Duizel.

6. Kerkbanken.
De banken uit deze kerk zijn, zoals voor meer kerken uit deze omgeving, vervaardigd door Meubelmakerij en Woninginrichting Cuijpers hier uit de Kerkstraat.

7. Orgel.
Ook aan het prachtige monumentale orgel uit deze kerk is een heel verhaal verbonden.
Oorspronkelijk (1838) stond in onze kerk een eenklaviers balustradeorgel, dat vervaardigd was door de bekende orgelbouwer Bernard van Hirtum uit Hilvarenbeek; latere wijzigingen in 1909 en in 1924 deden afbreuk aan het oorspronkelijke concept. In 1949 werd een nieuw elektro-pneumatisach orgel
In de oude kas aangebracht door Verschueren uit Heythuysen. In 1969 kwam er een voorstel voor een nieuw orgel, waarbij de oude kas van van Hirtum gecombineerd zou worden met het binnenwerk van een orgel uit Groot-Linden, dat in 1850 gebouwd was door de orgelbouwer Smits uit Reek. In 1972 werd een en ander met enkele kleine aanvullingen gerealiseerd. Toen is het ook verplaatst van het hoge zangkoor onder de toren naar het priesterkoor.
Op 15 mei 2010 heeft de Brabantse orgelfederatie een excursie georganiseerd langs de 3 van Hirtum-orgels, die nog te vinden zijn in Brabant, i.c. in Eersel, in Hilvarenbeek en in Diessen; er is een CD uitgegeven van het orgelconcert, dat bij die gelegenheid gegeven werd door Ad van Sleuwen (docent aan het conservatorium in Tilburg).


8. Glas in Lood ramen.
De glas-in-loodramen waren in feite voorgangers van de stripverhalen, waarin met de afbeeldingen een verhaal verteld werd voor de gelovigen, die niet konden lezen.

De glas-in-loodramen in het schip van de kerk stammen uit de kapel van het St. Jacobusgesticht (ca. 1901) en zijn in 1993 in de kerk geplaatst.
Van de ingang naar voor lopend:
1. Eerste raam rechts: Jezus bij de waterput in gesprek met de Samaritaanse vrouw
2.Tweede raam rechts: Jezus wordt door Johannes gedoopt in de Jordaan (zie het Lam Gods)
3. Derde raam rechts: Jezus verricht wonderen (geneest de blinde Bartimeus? Of de knecht van de Honderdman van Kafarnaum; Heer ik ben niet waardig??).
4. Eerste raam links: Jezus toont Zijn Heilig Hart aan Margaretha, Maria Alacoque (Is geen Bijbels tafereel).
5.Tweede raam links: Steniging van de H. Stefanus.
6. Derde raam links: Maria openbaart zich als “De Onbevlekte Ontvangenis”.
7.Op het priesterkoor links van het orgel: St. Willibrordus en de mensen, die door zijn verkondiging tot geloof komen (Luc van Hoek; Goirle))
8. Oorspronkelijk achter het altaar en verwijderd bij plaatsing van het orgel: Heilige Drie-eenheid.
9. Op het priesterkoor rechts van het orgel: De bedevaart naar Werbeek (Luc van Hoek; Goirle).
10.Achter het Maria altaar: Maria, een jonge Jozef en de duif als symbool van de H. Geest (Zie de dienstmaagd des Heren).
11. Achter het Tabernakel: Jezus, Maria en Jozef (als oudere man).



Bron: Piet Hooijmaijer Lezing 1. St. Willibrorduskerk 2012

 
Vindplaats (REPO4)
 
24 Zoon van Antonius en van Maria Catharina Matheijssen
Beroep: Stijfselmaker
Gehuwd mat Margaretha Catharina Vissers 
LEYSSEN, Peter Johannes (I16)
 
25 Zoon van Hendrikus Cornelis en Maria Catharina Kox
Beroep: Landbouwer
Ongehuwd 
HOEBENS, Augustinus Josephus (I18)
 
26 Zoon van Hendrikus en Cornelia Maas
Beroep: Smid, later bakker
Gehuwd met 1. Cornelia Henselmans en 2 Lodewika Moeskops 
AARTS, Franciscus (I19)
 
27 Zoon van Johannes en Catharina Engelen
Beroep: Landbouwer
Ongehuwd 
DE KORT, Petrus Jacobus (I20)
 
28 Zoon van Johannes en Petronella Coppens
Beroep: Broodbakker
Gehuwd met Johanna van der Grinten 
MAAS, Petrus Johannes (I17)
 
29 Zoon van Johannes Henricus en Wilhelmina Geven
Beroep: Bouwman
Ongehuwd 
SCHELLENS, Laurentius (I21)
 
30 Zoon van Johannes Martinus en Maria Hoevenaars
Beroep: Bouwman
Gehuwd met Arnoldina van Gils

Zijn vrouw overleed op jeugdige leeftijd en hij bleef met 4 dochters achter. De tweede dochter was Til, die 44 jaar onderwijzeres was op de Eerselse meisjesschool. 
VAN DEN BOOM, Johannes Theodorus (I22)
 
31 Zoon van Karel Elias Willem Strootman en Anna Marie Fontein.
Geb. te Sneek op 26 mei 1905.
Gehuwd met Helene Hütten. 
FONTEIN STROOTMAN, Sjoerd Carolus Marie (I24)