Oude Postelseweg 5, 5521 RS

Monument naam:
Plaats monument: Eersel
Bescherming: Cultuurhistorisch waardevol gebouw
Monumentnummer: 4.31.2.136
Monument categorie: Agrarische gebouwen
Oorspronkelijke functie: Boerderij
Huidige functie: Woonhuis
Complex:
Complextype:
Datering:
Situering: Binnen de bebouwde kom
Inschrijving register: n.v.t.
XY coordinaat: 149569 / 374233
Kadastrale gemeente: Eersel
Sectie perceel: F/3445
Oorspronkelijk bouwjaar: 1777
Grondgebruik:
Afmeting terrein:
Bronnen: [“J. Spoorenberg e.a., Drie Zaligheden, Eersel, Duizel, Steensel, Hapert 1989″,”Chr. Thijssen, Kleine historische gids van Eersel en zijn monumenten, Eersel 1996”]
Content: Historie en ligging:
De boerderij ligt aan een uitvalsweg van de Eerselse Markt en wel die, welke in zuid-westelijke richting naar de abdij van Postel afbuigt. Ze is globaal noord-zuid georiënteerd en met de oostelijke langsgevel naar de wegzijde gekeerd.

Gezien de toch ingrijpende verandering in 1973/74 werd het gebouw niet voor de gemeentelijke monumentenlijst voorgedragen. Niettemin is juist de herkenbare bouwhistorie èn het aantrekkelijke beeld van deze boerderij zo vlak bij de Markt, aanleiding geweest om onderzoek te doen.

Het object betreft een langgevelboerderij, wat inhoudt dragende bakstenen gevels. De korte eindgevels waren in 1973 voorzien van topgevels, terwijl de langsgevels van het woongedeelte tot ca. 30 cm. boven de zoldervloer reikten, zoals ook nu nog het geval is.

De gevels zijn opgetrokken in steens metselwerk, met ter plaatse van de opleggingen van de moerbalken een halve steen uitgebouwde penanten aan de binnenzijde. Doordat bij de verbouwing in 1973 de gevels aan de binnenzijde zijn voorzien van halfsteense spouwmuren zijn deze penanten niet meer waarneembaar.

Tot 1973 bevond zich aan de achterzijde van het bedrijfsgedeelte daar waar dat gedeelte aansluit aan het woongedeelte een nog jonge aanbouw. Deze aanbouw is bij de verbouwing afgebroken en niet in het onderzoek betrokken.

Woongedeelte
De boerderij bestond uit een woongedeelte lang ca 10,23 meter en breed ca.8,20 meter, en een bedrijfsgedeelte lang ca. 13.97 meter en breed 8,90 meter. Deze afmetingen zijn onveranderd gehandhaafd. Het woongedeelte had aan de straatzijde van links naar rechts een tweetal vensters, waarachter een kamer en de voordeur, waarachter een tochtportaal dat toegang gaf tot de kamer links en tot de herd. Vervolgens weer een venster met daarachter de herd met de schouw tegen het vertrek links. In de hoek tussen de zuidelijke kopgevel en de achtergevel bevond zich de kelder met de opkamer en daarnaast tegen de achtergevel de keuken. Tussen opkamer en keuken lagen drie trappen naast elkaar, te weten naar de kelder, naar de opkamer en naar de verdieping. Tussen de kelder-opkamer en het vertrek links van de voordeur bevond zich nog een slaapkamer. Zowel deze slaapkamer als de genoemde kamer links van de voordeur hadden elk een smal venster in de zuidgevel.

De opkamer had in de zuidgevel een wat breder raam en de kelder had in de zuidgevel een klein venster. De zolder had in de topgevel twee ramen, die dienden voor twee in hout uitgetimmerde slaapvertrekken op zolder.

Alle gevelramen van het woongedeelte op de beganegrond waren schuiframen. Op de beganegrond en in de opkamer was uit alle ramen de roedenverdeling verwijderd. In de voorgevel kwam boven elk van de ramen en boven de voordeur een segmentboogje voor met een blind boogveld. De beide smalle raampjes in de zuidgevel waren, gezien het feit dat het tweede cijfer van een jaartal in de gevel erdoor was verstoord, later aangebracht.

In de keuken bevonden zich een schuifraam en een buitendeur met bovenlicht.

De verdiepingvloer rustte op een samengestelde balklaag. Op de moerbalken daarvan waren tevens de kapspanten geplaatst.

Bedrijfsgedeelte
Het bedrijfsgedeelte bestond vanaf de brandmuur die aansloot tegen de herd en de keuken, uit een stal met in de voorgevel twee recente raampjes van trilbeton en een enkele deur gedekt met segmentboog, die klaarblijkelijk diende om de mest uit de potstal te kruien. Deze plaats, gelegen tegen de brandmuur en dus dicht bij de herd, is de meest gebruikelijke voor de stal, waarin zich het vee, het meest kostbare bezit van de boer bevond. Aangezien er tussen de stal en de deel rechts daarvan over de halve diepte een muur was aangebracht, mag worden verondersteld dat de mest niet via de deel werd uitgereden, tenzij misschien het achterste gedeelte. Niettemin is de smalle staldeur merkwaardig en ongebruikelijk. Maar de stal was nu eenmaal te klein voor de gebruikelijke dubbele deur, waardoor de stalmest met paard en kar kon worden uitgereden. Men moest zich wel daarmee behelpen. Vóór 1973 was de potstal al vervangen door een groepstal.

Rechts van de potstal bevond zich de deel met in de voorgevel een dubbele deeldeur die reikte tot de dakvoet. Deze deur is wel weer aangebracht maar aan de binnenzijde aan het oog onttrokken door de binnenspouwmuur Rechts van de deel was er nog ruimte voor grondopslag en paardenstal met aan de straatzijde een geheel blinde gevel. Op de plek van dit blinde gevelgedeelte is bij de verbouwing in 1973 een dubbele deur met korfboog aangebracht zoals die voorheen bij de potstal gebruikelijk was. Een potstal heeft zich daar echter nooit bevonden.

In de achtergevel van het bedrijfsgedeelte bevonden zich een deur naar het achtererf en een viertal ramen van trilbeton.

Kapconstructie en zoldervloer
De moerbalken van de zoldervloer van het oorspronkelijke woongedeelte dragen tevens de kinderbinten. Zij vertonen voor wat betreft het bedrijfsgedeelte de sporen van hergebruik, in de vorm van voor de huidige constructie niet functionele pengaten enzovoorts. Ze moeten niettemin de slietenzolder boven dit gedeelte hebben gedragen.

In het woongedeelte zijn op elk van de drie de moerbalken twee opeen gestapelde (trapeziumvormige) dekbalkjukken geplaatst met schuin geplaatste rechte spantbenen, die tegen de dekbalken zijn afgeschoord. Op de dekbalken van de bovenste jukken zijn nokstijlen geplaatst die op de dekbalk afgeschoord zijn. De nokstijlen zijn niet tegen de nokbalk afgeschoord, de gordingen (die secundair zijn aangebracht) zijn evenwel wel tegen de spanten afgeschoord. Alle delen van de spanten zijn gekoppeld met pen-en-gatverbindingen, die met houten toognagels zijn geborgd.

Opvallend is dat de gordingen niet rechtstreeks zijn opgelegd op de uiteinden van de dekbalken van de jukken maar met tussenkomst van klossen (blokkeels) die op delen van de spanten zijn gemonteerd. Het mag niet uitgesloten worden geacht dat dit erop wijst dat de spanten van elders zijn aangevoerd en hier zijn hergebruikt. Ze zouden dan elders op een ankerbalk-gebint kunnen hebben gestaan van een hallenhuis.

Alle delen van de kapconstructie zijn voorzien van aan de noordzijde ingehakte telmerken. De telmerken zijn gekenmerkt als links en rechts door ze aan de linker (oost-)zijde aan te brengen met de guts, aan de rechter (west-) zijde met de rechte beitel. De delen die in één verbinding zijn samengevoegd hebben hetzelfde telmerk.

In het bedrijfsgedeelte zijn op elk van de drie stuks moerbalken A-vormige schaargebinten geplaatst. Ook daarop zijn de gordingen aangebracht met tussenkomst van blokkeels haaks geplaatst op de spantbenen, die met verticaal geplaatste blokkeels worden gesteund. De delen van deze constructie zijn met behulp van draadnagels verbonden. De gordingen in het bedrijfsgedeelte zijn tegen de spantbenen afgeschoord, dit in tegenstelling tot het woongedeelte, waar de gordingen niet zijn afgeschoord tegen de spanten. Aan de kapconstructie van het bedrijfsgedeelte zijn geen telmerken aangetroffen.

Jaartal en andere relevante gevelsporen
De zuidgevel was deels afgepleisterd. Na verwijdering daarvan zijn in de gevel, onder de hoogte van de zoldervloer, de sporen gevonden van een jaartal, uitgevoerd in metselwerk, waarvan het tweede cijfer ontbrak. Op grond van de vermelding op de kadastrale minuut kon worden verondersteld dat het jaartal 1777 moet zijn geweest. Het jaartal is bij de renovatie in 1973 opnieuw aangebracht bij de vernieuwing van het pleisterwerk.

Op een foto van de achtergevel tijdens de bouw tekenen zich ter plaatse van het woongedeelte duidelijk de sporen af van een latere verhoging en een bloktandfries uitgevoerd in Boomse strengperssteen, de bekende “Belgische steen”.

Conclusie
De boerderij is een vroeg exemplaar van het type langgevelboerderij. De langgevelboerderij is een type dat met een aantal tussenvormen zich heeft ontwikkeld uit het driebeukig hallenhuis, dat al in de middeleeuwen algemeen gebruikelijk was.

Het hallenhuis heeft een dragend skelet, waarin aanvankelijk gevelvullingen aanwezig waren van houten planken en van vlechtwerk van (wilgen-) tenen, afgepleisterd met leem.

Het langgevelhuis daarentegen heeft geen dragend skelet maar dragende gevels, waarop dwarsbalken zijn gelegd die de kapspanten dragen. Bij de verstening van een hallenhuis werd slechts rondom het skelet een stenen muur geplaatst, die geen dragende functie had. Een hallenhuis kon zich niet door een verbouwing tot een langgevelboerderij ontwikkelen. Dat zou immers betekenen dat het skelet er uit werd gesloopt en dan is er geen boerderij meer: het dak wordt niet meer gedragen en in de praktijk blijkt zelfs dat verwijdering van het skelet betekent dat de omringende muren bij de eerste de beste rukwind instorten. De evolutie is dan verbroken en pas dan kan men een (geheel nieuwe) langgevelboerderij gaan bouwen. In de eerste bouwfase, de stichting van de huidige boerderij, werd al een echte langgevelboerderij tot stand gebracht. Die dateert blijkens het jaartal in de zuidgevel uit 1777. In tegenstelling tot zoveel andere gevallen, waarbij een jaartal in de gevel is ingemetseld of een jaartal in de vorm van muurankers is aangebracht, verwijst dit jaartal naar het jaar van de bouw en niet naar dat van de verstening. Deze boerderij is een mooi voorbeeld van een langgeveltype van vóór 1800.

De achttiende eeuw is de periode waarin de meeste oude hallenhuizen zijn “versteend” en het gebruik van baksteen klaarblijkelijk haalbaar werd voor de boeren van de Brabantse zandgronden. Daarbij diende de baksteen als bekledingsmateriaal voor de antieke bouwwijze van het hallenhuis met zijn dragend skelet, terwijl bij de langgevelboerderij juist gebruik werd gemaakt van het draagvermogen van de bakstenen muren. De boerderij Oude Postelseweg 5 te Eersel markeert dus een breekpunt tussen twee cultuurhistorisch belangrijke perioden van de boerderijbouw in Noord-Brabant: het verdwijnen van het hallenhuis en de opkomst van de langgevelboerderij.

Oude Postelseweg 5
Foto Winfried Thijssen (2003)

Waardering: Het object heeft architectuurhistorische waarde
– als zeldzaam exemplaar van een vroege langgevelboerderij met nog kenmerken van een hallenhuis;
Het object heeft stedebouwkundige waarde
– als markante boerderij aan de uitvalsweg van de Eerselse Markt.

  • Twitter
  • Facebook
  • LinkedIn
  • email
  • PDF
  • Print